In 1810 werd Nederland bij Frankrijk ingelijfd. Rotterdam kwam onder het gezag van de gehate politiecommissaris Antoine Delacoux de Marivault, die vanuit Den Haag een netwerk van politiemannen onderhield dat voor hem de Rotterdamse situatie bespioneerde. Hij stelde een strenge censuur in en trachtte brouwerijen en distilleerderijen gedeeltelijk stil te leggen. Er kwamen allerlei regels voor de logementen; iedere gast moest worden gemeld. Ook moest hij/zij zijn paspoort aan de politie tonen. Bij een weigering moest de logementhouder het paspoort innemen. De Franse autoriteit bepaalde wie wel of niet zijn beroep mocht uitoefenen. Al deze maatregelen hadden een negatief effect op de economie.

Buitengewoon fnuikend voor de Hollandse scheepvaart was het continentaal stelsel dat in feite een embargo op handel met Engeland betekende. Dat inspireerde de natie tot smokkel van mensen en goederen. Na zijn aankomst in Rotterdam ging De Marivault onmiddellijk op zoek naar een geschikte plek voor zijn vele gearresteerde smokkelaars. Eerst benutte hij het dolhuis, dat al snel vol raakte. Hij vroeg de prefect om een oplossing maar die vond dat De Marivault het zelf maar moest oplossen. Hij kreeg de beschikking over de tucht- en de werkhuizen en de gevangenis onder het stadhuis. De kosten voor de gevangenen liepen overigens hoog op. [I]Koch, 1924, deel 2

Palais Royal in Parijs

De ambtenaren van De Marivault wisten ook geld van bordeelhouders en publieke vrouwen af te troggelen. Daar bleef het niet bij. Het Franse prostitutiebeleid werd naar Nederland overgeheveld. In Frankrijk diende dat om overlast te bestrijden. Na de Franse revolutie in 1789 was het koninklijk paleis (Palais Royal) namelijk het domein van prostituees geworden die in de winkeltjes aan de galerijen waren getrokken. Dit veroorzaakte veel overlast. Bezorgde burgers hadden al voorstellen gedaan om gereguleerde bordelen in te richten. De Fransen bedachten daarop dat registratie van prostituees alle problemen zou oplossen. Rond 1771 kwam daar het argument bij dat registratie het geneeskundig toezicht ook mogelijk kon maken. Toen vonden de Fransen dat echter nog geen haalbare kaart. Maar in maart 1796 begon men in Parijs een register van prostituees aan te leggen. Het resultaat was volgens de Franse arts en nestor van onderzoek naar prostituees, Parent Duchatelet een monument van chaos. In 1797 werden gemeenten in Frankrijk alsnog verplicht tot registratie over te gaan. Op 29 maart 1800 ontwikkelde men een uniforme methode voor de registratie, die we later ook in Nederland zouden terugzien. In de Code Pénal, het Franse Wetboek van Strafrecht, werd die registratie gekoppeld aan een verplichte medische keuring. Napoleon, die in 1799 aan de macht was gekomen zag in medische keuring een middel om gezinshoofden gezond te houden. Het werd tevens als een middel gezien om minderjarigen uit de bordelen te weren, want het laten werken van minderjarigen in de prostitutie was uitdrukkelijk in de Franse wet verboden.

Vanaf 1 maart 1811 was de Code Pénal in Nederland van kracht. De directeur- generaal van de politie P. Devilliers Duterrage voerde het Franse systeem in Nederland in. [II]Volkskrant 18-9-1998  Ook in Rotterdam ging men registreren.Alle publieke vrouwen moesten met naam, toenaam, adres en herkomst bij de politie worden geregistreerd. Zij kregen bij registratie een rode kaart waarmee ze zich een keer per week bij de politiechirurgijn moesten vervoegen. Als ze ziek waren, kregen ze een witte kaart waarop hun kwaal stond vermeld. Er is één register overgebleven van de Franse tijd in Rotterdam: (‘Inscription de L. Prostitution) uit het Quatrième arrondissement. Daarin staan 69 vrouwen die zich in 1813 met naam, leeftijd, het bordeel waar zij werkten en het privéadres hadden geregistreerd. Zo woonde en werkte Johanna Maria Hoendering, 24 jaar, geboren te Amsterdam.in het bordeel van Jannetje Verhoeven in de Trouwsteeg 499. Uit analyse van het register van 1813 blijkt dat 28 van de 69 (40,5 procent) geregistreerde vrouwen in de Zandstraatbuurt werkzaam waren. Verscheidende vrouwen werkten toen in ‘Het paard in de wieg’.[III]Seidler, 2011 In dat bordeel werkten inderdaad veel vrouwen, maar het aantal van in totaal 28 prostituees in De Polder is beslist een onderrapportage. Het was waarschijnlijker dat 28 prostituees niet aan de registratie hebben kunnen ontsnappen. Het was bijvoorbeeld niet mogelijk de hele Zandstraatbuurt met de vele stegen in kaart te brengen. Gezagsdragers beschikten toen alleen over een plattegrond waarop de straatnamen moeilijk te lezen vielen.

De Fransen vonden dat de Rotterdamse politie faalde met de controle van de ‘filles publiques’ (publieke meisjes) bijvoorbeeld ten tijde van de kermis. Op 3 augustus 1811 werd ‘er een aantal ‘agents de sûreté gerequireerd’ omdat het gewone korps niet voldoende toezicht uitoefende op deze filles publique. [IV]Rijn, 1894

In november 1813 werd Rotterdam van de Franse overheersing verlost. De registratie en het verplichte medische onderzoek werden afgeschaft, tot ieders genoegen. Men vond vooral de optocht van de vrouwen naar de politiearts – terwijl ze onderweg door opgeschoten jongens werden uitgescholden – een aanstootgevende vertoning.

Maar al ras diende er zich een nieuwe pleitbezorger van registratie en keuring aan: Koning Willem I probeerde te bereiken wat De Marivault niet was gelukt: prostituees dwingen zich te laten registeren ten behoeve van een medische keuring. In juli 1816 verzocht Koning Willem I via Gedeputeerde Staten de gemeenten om verordeningen uit te vaardigen ‘tot genezing en stuiting van verdere uitbreiding der venerische ziekten.‘ Veel militairen waren namelijk met syfilis besmet geraakt. Hij verweet de burgerlijke autoriteiten zorgeloosheid in dezen. [V]Slobbe, 1937 Niet alle steden waren enthousiast over dit plan. De grote steden –behalve Den Haag- verzetten zich ertegen. [VI]Stemvers, 1985

In 1828  herhaalde Willem I zijn verzoek. Tevergeefs, Rotterdam wilde niet op last van de overheid reglementeren. Toch probeerde het centrale gezag het in 1836 opnieuw.

Een verbod op prostitutie was toen niet aan de orde. In die tijd waren artsen en beleidsmakers van mening dat prostitutie een noodzakelijk kwaad was omdat ‘mannen’ nu eenmaal hun lusten moesten kunnen botvieren om gezond te blijven. Het alternatief, masturbatie veroorzaakte allerlei enge ziektes en jongelingen zouden het gaan prefereren boven de ‘natuurlijke’ geslachtsgemeenschap. Tot ongeveer 1860 bleef dit onder vooral liberale mannen de gangbare visie. Overigens had niemand in dit tijdsgewricht aandacht voor de seksualiteit van vrouwen.

Wel diende men het ongewenste gevolg van deze gezonde lusten, namelijk syfilis, krachtig te bestrijden. Syfilis was toen een ernstige ziekte die ook de middenklasse en de hogere klasse bedreigde. Dat was minder het geval met cholera, een ziekte die vooral te maken had met slechte watervoorziening en hygiëne, waartegen in de negentiende eeuw maatregelen werden genomen zoals het aanleggen van riolering. Tbc was een volksziekte. Cholera speelde echter wel degelijk een rol in de prostitutie. In Zierikzee werd een groepje besmet door mensen die uit een Rotterdams bordeel kwamen. Uit contemporain onderzoek uit het buitenland bleek echter dat meer prostituees aan tbc stierven dan aan syfilis.

De regulering werd per stad anders ingevuld. Rotterdam heeft nooit een officiële reglementering gekend. Men keurde en registreerde echter wel in Rotterdam. In 1845 stuurde de Rotterdamse Directeur der Politie een conceptreglement naar het stadsbestuur. [VII]Blaauw, 2014 Dit bleef een tijdje liggen, maar werd uiteindelijk vertaald in de Dagorder van 19 juni 1847 no.92. Daarin stond dat er eens in de veertien dagen visitatie (medisch onderzoek) moest plaatsvinden en er geen bordelen in de buurt van kerken en scholen mochten worden gevestigd. De politie was verantwoordelijk voor de handhaving van dit regime. In de registers van boetes die bordeelhouders kregen bij overtredingen staat dat die boetes één tot vijftig gulden bedroegen. De politie had overigens weinig zin in de handhaving: prostitutie viel niet te bestrijden en kostte alleen maar geld. Tevens werd prostitutiebestrijding minderwaardig werk gevonden.

Voor veel steden werd het ontwerpen van een prostitutiebeleid wel aanvaardbaar door de invoering van de gemeentewet. (1851) Daardoor kreeg de gemeenteraad de bevoegdheid verordeningen uit te vaardigen op bijvoorbeeld het gebied van volksgezondheid, mits die niet strijdig met landelijke wetgeving waren. Dus kon een gemeente ook verordeningen opstellen om de prostitutie te reguleren. Van belang was art. 188 waarin de burgemeester een sleutelrol kreeg toegewezen. Zijn taak was toezicht houden op schouwburgen, herbergen, tapperijen en ‘alle voor het publiek openstaande gebouwen en samenkomsten, openbare vermakelijkheden en openlijke huizen van ontucht’. Hij diende met de openbare orde of zedelijkheid, strijdige vertoningen te verhinderen. Hiermee werd de burgemeesterlijke willekeur de maatstaf voor ‘vertoningen’, wat tot veel kritiek aanleiding gaf.

Sietske Altink

Terug naar de inhoudsopgave van het boek

Kik hier voor meer informatie over de bronnen

Lees meer over de bordelen, de vrouwen en de praktijk van het medisch toezicht

 

Noten   [ + ]

I. Koch, 1924, deel 2
II. Volkskrant 18-9-1998
III. Seidler, 2011
IV. Rijn, 1894
V. Slobbe, 1937
VI. Stemvers, 1985
VII. Blaauw, 2014