In 1972 vond de arts B.J. Kam in een voormalig politiebureau achteloos weggeworpen politieregisters met gegevens van prostituees uit het negentiende- -eeuwse Zwolle. Hij redde de registers van de vuilniswagen en schreef er zijn proefschrift over. Net als degenen die na hem de prostitutie in de negentiende eeuw beschreven, begint hij met het verzoek van de koning om krachtens een reglement prostituees te dwingen zich geregeld medisch te laten keuren.

In 1818 kwam via Gedeputeerde Staten dit verzoek van de koning bij het Zwolse stadsbestuur binnen. Zwolle was toen een garnizoensstad en de soldaten mochten immers niet door een geslachtsziekte buiten gevecht worden gesteld! Een reglement betekende dat prostituees zich bij de politie moesten registreren en een boekje kregen waarmee ze zich wekelijks bij een keuringsarts moesten vervoegen.

Net als veel andere steden had Zwolle aanvankelijk weinig zin om aan dit verzoek van de koning gevolg te geven. De Zwolse stadsartsen beweerden in 1818 dat er in Zwolle niet één gelegenheid was die voor reglementering in aanmerking kwam. Zij vreesden dat mensen met geslachtsziekten zich aan een verplichte keuring zouden onttrekken en liever naar kwakzalvers zouden gaan. De artsen zagen alleen wat in politietoezicht als ook de man die een ingeschreven prostituee besmet bleek te hebben, verplicht werd zich op eigen kosten te laten verplegen en tevens een geldboete en gevangenisstraf kreeg. Daarnaast pleitten zij voor een wekelijkse inspectie van het garnizoen.

Op grond van al deze argumenten sprak de gemeente zich uit tegen een reglement. Men was bang dat een reglement bordeelbezoek van de jeugd zou stimuleren, want het was immers door de autoriteiten goedgekeurd! Tevens wees men op clandestiene prostitutie als oorzaak van syfilis.

In 1828 ondernam de minister van Binnenlandse Zaken opnieuw een poging om Zwolle tot reglementering te bewegen. Het gemeentebestuur reageerde geïrriteerd met het argument: ‘Er is maar één speelhuis en de kastelein laat de vrouwen van tijd tot tijd visiteren (Hier: onderzoeken)’.

Zwolle had al een systeem waarin de politie door de garnizoenscommandant verantwoordelijk werd gesteld voor preventie van venerische ziekten.  De plaatselijke commandant Majoor de Bruin meldde bijvoorbeeld in 1833 schriftelijk aan B en W welke soldaten bij welke vrouw een geslachtsziekte hadden opgelopen. De betreffende meisjes hielden zich op bij een herberg annex-vleeshouwerij, De Schoone Bout’ bij de Broerenkazerne. Commissaris van politie Schaap, antwoordde dat de Zwolse ‘meisjes‘ Elsi en Hermina Parkementus bekend waren bij de officier van gezondheid als grote, dikke, zware vrouwen met een knipmuts op, maar dat er geen reglement was dat hem het recht gaf hen te visiteren. De commissaris voegde eraan toe dat hij ook over visitatiebriefjes van de meisjes van vrouw Raayers uit de Goudsteeg, alsmede die van Koosje Schurink in de Papenstraat beschikte. Uit die briefjes bleek dat militairen niet venerisch waren besmet door de publieke ‘meisjes’ maar dat het de schuld van de militairen zelf was die vrouwspersonen meenamen waarover de politie niet kon waken.’ (Kam, 1983 pp. 18 en 19, enigszins ingekort) De commissaris vond het al mooi dat: ‘alle vier aan mij gedeclareerd (verklaard) hadden dat zij bereid waren de visitatie te ondergaan, die deze maand de Stadschirurgijn Gijswijt had verricht en die geconstateerd had dat zij niets mankeerden. Hij vond dat men de militairen maar moest verbieden naar de hoeren te gaan.

Naar aanleiding hiervan sloten de militaire autoriteiten de verdachte lokaliteiten, maar in 1848 herhaalde dit spektakel zich bij het bordeel van Arend Uiltjes naast de kazerne waar twee vrouwen inwoonden, die gezond waren bevonden.

De gouverneur schreef op 14 december 1844 dat hij nog niets uit Zwolle had vernomen en het ministerie van Justitie drong bij missive op een snelle afhandeling van de zaak aan. B en W bleven traag reageren. Pas op 13 februari 1845 vroegen B en W advies aan de stadsgeneesheren.

Tussen 1818-1845 besteedde de Zwolse overheid alleen ad hoc aandacht aan prostitutie. De commissaris beperkte zich tot het noteren van verdachte vrouwspersonen die in Zwolle arriveerden. De huizen lieten af en toe de werkneemsters ‘visiteren’ en de dokter gaf desgewenst een verklaring af.

Pas in februari 1845 schreven B en W aan de stadsartsen dat er kennelijk een reglement moest komen. B en W vond dat zo’n reglement behoedzaam moest worden ingevoerd en dat het artsen en politie niet aan verleidingen mocht blootstellen. Men wilde stille knippen en kroegen, waar clandestiene prostitutie plaatsvond, in het toezicht betrekken.

Het boekje

Volgens de eerste verordening van 1846 moesten alle Zwolse publieke vrouwen een boekje bij zich dragen. Daarin stond hun naam, geboortedatum, hun adressen, het publieke huis waar ze werkten en hun persoonsbeschrijvingen. Zij moesten één gulden voor dit boekje betalen. Bordeelhouders betaalden drie gulden voor hun boekje, waarin iedere nieuwe publieke vrouw op kosten van de bordeelhouder moest worden ingeschreven. Er moest een discrete wachtkamer komen en de familie van de bordeelhouders mocht niet aan het medisch toezicht ontsnappen. Pas na twee jaar, op 3 oktober 1846, werd in Zwolle het reglement aangenomen, dat tot 1900 negen maal zou worden gewijzigd.

De ‘ retributiën’ (gedwongen betalingen aan de overheid) voor het toezicht werden naar Haags voorbeeld geregeld. Als de vrouw het bedrag van de visitatie niet betaalde moest de waard of waardin dokken, op straffe van verlies van de vergunning. De bordeelhouder moest 25 cent voor in- en uitschrijving in het register betalen. Later bleek dit niet kostendekkend te zijn.

Tussen 1846-1900 is er negen maal een nieuwe verordening voorgesteld. Meestal ging dat om kleine wijzigingen.

In de versie van 1861 hoefden de vrouwen de visitatie niet meer zelf te betalen als die plaatsvond op een door de gemeente aangewezen plek dus niet in het huis van de vrouw of in het bordeel. Dat was duur; verpleging in het ziekenhuis kostte alleen al vijftig cent per dag. Daar kwamen de apothekerskosten en de kosten voor de afdeling in het ziekenhuis voor zieke vrouwen bij. Daar bovenop kwam nog eens het salaris van de heelmeester van 100 gulden per jaar.

De verordening van 1861

Waarschijnlijk was de gemeentewet van 1851 de reden geweest de reglementen te herzien. Dit bezorgde de gemeente handenvol werk. In 1861 kam er een nieuwe versie van het reglement. Een nieuw element was dat niet de bordeelhouder maar de vrouw zelf de inschrijving moest regelen, maar dat kon ook ambtshalve door de burgemeester of zijn tussenpersoon worden gedaan. De vrouw kon dan ook haar zegje doen, een soort intake dus. Wanneer de vrouw niet verscheen, kwam er een politieman met een brief aan de deur. Wanneer ze dan nog steeds wegbleef, kreeg ze straf. Niet de commissaris maar de geneesheren gingen bepalen welke lokalen voor visitatie geschikt waren. De geneesheren moesten ook toezicht houden op de zindelijkheid van de huizen. De bordeelhouders werden ervoor verantwoordelijk gesteld dat de vrouwen zich voor de visitatie meldden. De commissaris diende bij iedere vergunningswisseling te worden ingelicht zodat hij advies kon inwinnen in de vorige woonplaats van de bordeelhouder.

Er stonden nog meer nieuwigheden in het reglement van 1861. Bij het boekje werd een uittreksel uit het reglement gevoegd, dat ook aan klanten kon worden getoond. Er werd tevens bepaald dat de vrouw te allen tijde het huis mocht verlaten. Zij kon dan het doorhalen van haar naam in het register verlangen. Een wassen neus, want na het doorhalen van die naam was die vaak nog duidelijk leesbaar.

De eisen aan de bordelen werden in de 1861 versie aangescherpt. Ze mochten niet in de buurt van scholen en kerken gevestigd zijn. Extra (geheime) uitgangen werden verboden. Artikel 29 van Zwolse verordening die ook in veel andere steden voorkomt luidde: “De ramen der huizen van ontucht, aan de straat uitkomende, moeten te allen tijde voorzien zijn van ondoorzichtige gordijnen of horren, die nimmer opgeschoven, opgehaald of weggenomen mogen zijn of worden.

Krachtens artikel 24  mochten de publieke vrouwen in schouwburgen en bij openbare vermakelijkheden alleen op die plekken zitten die de politie hun toewees. In de vergunningsvoorwaarden stond dat na ‘des nachts na 12 uren de voor- en achterdeur moest worden gesloten en dat daarin geen bezoekers mochten worden meegelaten’. Maar op 21 augustus 1882 vroeg  bordeelhoudster Luhrs aan B en W om na 12.00 uur open te mogen ‘omdat nadien vaak een of twee deftige heeren aanschellen want juist na 12 uur komen de goede klanten, als de sociëteiten sluiten en wij wijn mogen schenken’. Tevens beloofde zij dat de heren ordentelijk het huis zouden verlaten. Haar verzoek werd echter afgewezen. [I]De wijzigingen van 1881 en 1894 betekenden slechts een uitbreiding van het aantal artikelen.

Naar aanleiding van de zaak Pauline Tardy werd in een besloten raadszitting van 18 mei 1868 het reglement aangepast. De rechtbank had in eerste aanleg geoordeeld dat de criteria voor publieke vrouwen in Zwolle niet duidelijk waren. ‘In het register staan’ vond de rechter niet voldoende bewijs voor prostitutie. Bovendien mochten gehuwde vrouwen niet in het register worden opgenomen en Pauline was gehuwd!

Het resultaat was de volgende definitie van publieke vrouwen: ‘hetzij op zichzelve, hetzij gezamenlijk met anderen van de prostitutie hun beroep maken of zich daaraan overgeven’, maar dat moest eerst worden bewezen.

Het onderzoek en de artsen

Net als in andere steden heerste in Zwolle de algemene opvatting dat alleen prostituees syfilis verspreidden. Een voorstel om besmette mannen ook verplicht te behandelen, haalde het niet.  Vóór 1844 werden zieke vrouwen, zodra de politie ze in staat tot reizen achtte, onder rembours met de diligence naar huis teruggestuurd. Hun domicilie van onderstand  (woonplaats) moest de postiljon betalen. De vrouw kreeg zelfs geen 0,25 cent mee voor het levensonderhoud onderweg. In 1863 ging men ertoe over een passantenhuis in te richten in de Ruiterstallen.

Dat werd later de plek voor de visitatie.  Men had eerst een locatie in de suikerraffinaderij die op de nominatie voor de sloop stond in gebruik. Een zekere H.Boomsbergen wilde de vrouwen wel voor 0, 50 cent per dag verplegen en werd als conciërge aangesteld. De Rooms Katholieke Armenzorg had daar bezwaar tegen want de conciërge had geen benul van verplegen maar hoefde er alleen op toe te zien dat de vrouwen niet wegliepen. Al snel verhuisde men van de suikerraffinaderij op Slurink naar een afgesloten deel van de stadsmanege. Daarvandaan verhuisde men weer naar het wachtlokaal van de politie. In 1863 was de Ruiterstal klaar.

Vanaf 1862 vond iedere zaterdag om drie uur de visitatie plaats. Dit ging als volgt: De heelmeesters kwamen binnen en de vrouwen zaten al in de wachtkamer. Vaak zat er ook politie bij om vechtpartijen tussen de vrouwen te voorkomen. De artsen legden het speculum klaar en wasten hopelijk hun handen in een lampetkan. De leuning van de onderzoeksstoel was vrij hoog, maar ook niet zo hoog dat de vrouw haar hoed moest afzetten, wat veel tijd kostte. Na afloop maakte de dokter de stoel met een dweil schoon.

Een van de heelmeesters hield de aantekeningen in het boekje bij. In het boekje stond een ‘paraphe’ van de politie met een verklaring van de medicus in kwalificaties als: ‘gezond’, ‘tijdelijk ongesteld’, ‘twijfelachtig’ of ‘besmet’.

Een van deze heelmeesters was Kisch, een geboren Groninger. Hij was net als andere heelmeesters, oorspronkelijk barbier van beroep en dreef een winkel. Op 25 mei 1847 controleerde Kisch voor het eerst prostituees en wel op een zaterdag, wat opmerkelijk was want dat was de sabbat. Hij was namelijk joods. Als enige in Nederland had hij over technische aspecten van de besnijdenis geschreven. Zijn collega, stadsheelmeester Metelerkamp werd met ontslag gedreigd omdat hij  vaak in beschonken toestand in het publiek huis van Geertje Pegman zat en daar de vrouwen lastig viel.

Begin april 1844 klaagden de heelmeesters Kisch en Metelerkamp over de te lage beloning voor het zware werk. Ze moesten dag en nacht in ‘schamele of dierlijk onreine woningen verkeren’. Dit bracht hun praktijk schade toe. Zij kregen het aanbod van politiebegeleiding als ze de Slurink, een slechte buurt in moeste. Metelerkamp en Kisch ontvingen in 1862 75 gulden uit de gemeentekas. In 1867 protesteerden de heelmeesters tegen de geringe uitbetaling, minder dan ze was beloofd. B en W dacht echter dat zij minder werk hadden verricht. Later kregen ze gelijk. [II]Website Wie is Wie in Overijssel, geraadpleegd 20-3-2017

Al met al waren die eenzijdige controles van alleen vrouwen, zonder de klanten erbij te betrekken weinig effectief. Er was bovendien geen effectieve behandeling van de ziekte bekend. Het is ook maar de vraag of de artsen de juiste diagnose stelden. De politie was daar al helemaal niet voor gekwalificeerd.

Politie

Pas in 1851 gaat de commissaris een schriftelijke administratie voeren, wat al lang had gemoeten, krachtens lid 6 van het reglement, het retributievoorschrift.

Er is een verhaal bekend dat de politie een als vrouw vermomde kapelaan arresteerde die bij een bordeel naar binnen wilde. Ook bij de achteringang ving hij bot.[III] Leeuwarder Couran 22-7-1881 Over het algemeen stonden gezagsdragers op goede voet met tappers, herbergiers en houdsters van ‘illegale’ huizen.  Nachtwakers werden nogal eens slapend op hun post aangetroffen. De leden van deze nachtwachten ‘met kleppers’ werden regelmatig in vrouwelijk gezelschap in de kroeg aangetroffen.

Ene Franssen van de Middernachtszending – een groep die prostitutie bestreed- was die solidariteit tussen bordeelhouders en politie een doorn in het oog. Hij wist dat een agent uit vissen was gegaan met bewoners van perceel 3 (vroeger 222) aan de Buitenkant (een bordeel).  [IV]Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 27-10-1908

De politie tilde wel zwaar aan koppelarij, maar in 1840 beweerde de commissaris van politie niets te kunnen uitrichten tegen de koppelarij van Maria Woltering. Het volgende incident zou op koppelarij duiden: ‘Mientje van Aalst heeft Dirk Jan Michiels verweten dat hij een stil huis houdt. Hendrik Anker heeft er zijne dochter er met de karwats uitgehaald. De politie had echter geen oog voor grootschalige vrouwenhandel.

In 1900 kwam er door het bordeelverbod in Zwolle een einde aan de negen levens van het reglement.

Dit artikel is grotendeels gebaseerd op Kam, B.J., (1983) Meretrix en Medicus, Een onderzoek naar de invloed van de geneeskundige visitatie op handel en wandel van Zwolse prostituees, proefschrift Geneeskunde Nijmegen, uitgeverij Geert Groote, Zwolle.

Lees meer over de publieke vrouwen en bordelen in Zwolle in de negentiende eeuw.

Lees meer over sekswerk in Zwolle in de 20ste en het begin van de 21 ste eeuw

Sietske Altink

Bronnen

 

Noten   [ + ]

I. De wijzigingen van 1881 en 1894 betekenden slechts een uitbreiding van het aantal artikelen.
II. Website Wie is Wie in Overijssel, geraadpleegd 20-3-2017
III. Leeuwarder Couran 22-7-1881
IV. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 27-10-1908