In Nederland wordt met regelmaat de wens uitgesproken om net als in Nieuw Zeeland een sekswerkerscollectief het prostitutiebeleid mede te laten bepalen. In dit document bespreek ik eerst de vraag in hoeverre dat tot op heden in Nederland is gebeurd. Daarna beschrijf ik de rol van andere stakeholders die het welzijn van sekswerkers hoog in hun vaandel hebben staan. Ik betoog  vervolgens dat zij in hun activiteiten een stapje opzij moeten doen. Dat is een eerste voorwaarde maar is geen garantie voor het ontstaan van een onafhankelijke sekswerkersorganisatie. Daartoe moeten nog de klassieke problemen  worden opgelost zoals representativiteit, de anonimiteit en de omgang met niet- sekswerkers. Hoe moeilijk is het om een zelforganisatie te komen van mensen die zijn gestigmatiseerd?

Affiche NZCP

Affiche NZCP

Het woord Nieuw Zeeland is volgens mij nog nooit zo vaak in De Eerste Kamer gevallen dan tijdens het debat in mei 2014 over De Wet Regulering Prostitutie in 2013. De aanleiding was het onderzoek van Wagenaar en anderen waarin het Collective Of Prostitutes of New Zealand als voorbeeld van een goed functionerend sekswerkerscollectief wordt beschreven. Enkele senatoren ondersteunden de oprichting van een onafhankelijke collectief van sekswerkers dat een stem moest krijgen in het prostitutiebeleid. Dat laatste was de reden achter de aanbeveling van genoemde onderzoekers. Het is namelijk een goed bestuurskundig principe om degenen die direct met bedoelde (maar ook onbedoelde) gevolgen van beleid te maken hebben, bij de beleidsontwikkeling te betrekken. Dat is op andere beleidsterreinen de gewoonste zaak van de wereld, maar bij sekswerk ligt dat wel wat anders.

Beleidsmakers en politici zullen tegenwerpen dat ze vaak het beleid hebben besproken met onder meer De Rode Draad.  Maar alleen praten is niet genoeg, sekswerkers moeten ook nog zeggenschap hebben in het beleid. Zo is bijvoorbeeld de registratie van sekswerkers in 2008 op een expertmeeting  die werd geleid door de onderzoeker Marnix Eysink Smeets van de kant van de sekswerkers afgekeurd. Niettemin heeft het tot 2011 moeten duren tot de Eerste Kamer de registratie een halt toeriep. En ook de gemeente Utrecht heeft in haar poging sekswerkers bij het beleid te betrekken  een voorbeeld geleverd van hoe het niet moet.

In 2009 heeft de gemeente Utrecht de meningen gevraagd van sekswerkers over de door de gemeente voorgenomen maatregelen:  verhuur van ramen voor minimaal een maand, registratie van sekswerkers en de beperking van het maximum aantal te werken uren. Dit heette cliëntparticipatie, alsof het om een patiëntenvereniging ging.  Later is dat nog eens overgedaan. Wat bleek? Met uitzondering van de beperking van de maximale werkduur konden de maatregelen geen genade vinden in de ogen van sekswerkers. Niet dat dit  iets uitmaakte, het beleid werd  een succes genoemd.

 

De Rode Draad heeft vanaf haar oprichting begin 1985 aan tafel gezeten met beleidsmakers en politici, vooral op landelijk niveau. Ook was er regelmatig overleg met de Belastingdienst en het UWV. Ze heeft ook meegeschreven aan het handboek voor gemeenten. En in Rotterdam was ze vanuit de Adviesgroep Prostitutiebeleid betrokken bij de beleidsontwikkelingen. Van oktober 2000 tot 2008 had deze organisatie immers een dependance in Rotterdam. Ook in andere steden waren er regelmatig contacten.

Maar in de adviesgroep in Rotterdam en in landelijke overleggen zat De Rode Draad zelden alleen aan tafel. Andere stakeholders:  Soaaids, De Stichting tegen Vrouwenhandel (later Comensha) en de hulpverlening namen ook deel aan die gesprekken. Nu is de aanwezigheid van andere stakeholders volgens het Nieuw-Zeelandse collectief bepalend voor de mate waarin sekswerkersorganisaties in het beleid worden betrokken. De Rode Draad was de enige organisatie die in dat verband uitsluitend tot doel had de situatie van (alle) sekswerkers te verbeteren. De andere organisaties hadden hulpverlening en gezondheidszorg als kernactiviteiten.

Onafhankelijkheid van gezondheidszorg

Prostitutie is al heel lang als een probleem van volksgezondheid en gezondheidszorg gezien. Aan het  begin van de twintigste eeuw zagen artsen prostituees als een belangrijke factor in de verspreiding van geslachtsziekten. Die mening hield geen stand. De Rotterdamse arts L Muller, veneroloog  verklaarde al in 1939 dat prostituees het voorbeeld stelden door hun consequent condoomgebruik. Dit argument kwam in alle glorie boven tafel in de periode waarin de ziekte aids opdoemde. In Nederland, maar ook elders in de wereld, zag men sekswerkers als de ideale voorlichters. In die periode zijn binnen en buiten Europa vele sekswerkersorganisaties ontstaan die vanuit aidsbestrijding werden gefinancierd.

Deze organisaties gebruikten een U- bocht argumentatie om de positieverbetering van sekswerkers ter hand te nemen. Die U -bocht verliep als volgt: goede gezondheidszorg zal aanleiding geven tot betere werkomstandigheden. Zo is is Tampep, (Transnational Aids/STD Prevention among Migrant Prostitutes) een netwerk van organisaties in vooral het buitenland, gebaseerd op deze U- bocht. Het is begrijpelijk dat deze organisaties deze kans hebben gegrepen, maar het is niet gangbaar in andere beroepen. Daar is bedrijfsgezondheidszorg onderdeel van een goede situatie op de werkvloer, maar niet het hoofdbestanddeel.

In Nederland lag dit anders. In de tijd dat De Rode Draad aan de onderhandelingstafel zat hadden de stichting soa aids en de GGD‘en een onafhankelijke gezondheidsvoorlichting en medische controle reeds gerealiseerd. In alle regio’s deed de GGD aan ‘outreach’; men ging de bedrijven af om gezondheidsvoorlichting te geven en testen aan te bieden. In verband met de vele migranten werden er zogeheten VIP ’s  (Voorlichters in de Prostitutie) aangesteld die de migrantensekswerkers in hun eigen taal benaderden en veelal zelf ook sekswerker waren.

Dit leidde ertoe dat er een groot cohort gezondheidsvoorlichters in de prostitutiebedrijven rondliep. Voor De Rode Draad was het ‘veldwerk’,  zoals zij haar bedrijvenbezoek noemde, het belangrijkste middel om informatie over werk bij de sekswerkers te krijgen. In tegenstelling tot de gezondheidsvoorlichters had De Rode Draad slechts enkele mensen ter beschikking om in het hele land informatie bij sekswerkers te brengen. De kans was groter dat een sekswerker in een club iemand van de GGD ontmoette dan een Rode Drader.

In de praktijk betekende dit dat de GGD’ers vaak vragen kregen die eigenlijk door De Rode Draad beantwoord hadden moeten worden. Overigens leidde dit soms tot rare situaties. In geen enkel beroep geven immers medewerkers van de bedrijfsgezondheidszorg informatie over belasting betalen en stellen ze de arbeidsrelaties ter discussie. Soms bracht dit grensoverschrijdend gedrag de medewerkers van de GGD in een ongemakkelijke positie. Dit overkwam een sociaal verpleegkundige die een vrouw foutieve informatie over belastingbetaling had gegeven waardoor de sekswerker in de problemen kwam.

Een ander illustratief voorval:

Een medewerker van de Gooi- en Vechtstreek kwam naar De Rode Draad om  de wenselijkheid van een steunpunt van De Rode Draad in de regio te bespreken. Hij vond een steunpunt niet nodig, want zoveel seksbedrijven waren er niet in zijn regio. Hij wilde wel de folders van De Rode Draad verspreiden, maar informatie over belasting betalen zou zijn GGD nooit ronddelen ‘want dan loop je het risico dat de clubeigenaar je niet meer binnen laat’.

 

Het toegang krijgen en houden tot de bedrijven is voor de medewerker van de GGD inderdaad een noodzakelijke voorwaarde om zijn/ haar taken goed uit te kunnen voeren. Daarom mag ze niet te controversiële informatie over arbeidsrelaties en dergelijke geven. In dit licht bezien is het ook vreemd dat het Ministerie van Sociale Zaken subsidie aan Stichting Soa Aids had gegeven om onder andere informatie over arbeidsrelaties op een door deze stichting te beheren website te zetten: Prostitutiegoedgeregeld.

De GGD of GG en GD is en blijft een gemeentelijke organisatie. De laatste tijd lijkt ook zij er  last van te hebben van het feit dat gemeenten in toenemende mate zeggenschap willen hebben over organisaties die zij financieren. De laatste jaren wordt de GGD ook betrokken in de strijd tegen mensenhandel. Daardoor heeft ze bijvoorbeeld in Utrecht een taak in het registreren van sekswerkers. Daar is de vreemde situatie ontstaan dat dezelfde organisatie anoniem test die ook allesbehalve anoniem registreert. In de steden waar men een ketenaanpak mensenhandel heeft, maken medewerkers van de GGD ook vaak deel uit van de keten. Hun taak in het doorgeven van signalen van mensenhandel kan ertoe leiden dat de medewerkers van de GGD vragen aan sekswerkers moeten stellen, die als impertinent worden ervaren. Door deel te nemen aan de ketenaanpak en signalen die cliënten afgeven door te spelen, lopen de medewerkers van de GGD het risico hun beroepsgeheim te schenden. Dat geldt overigens ook voor de hulpverlening.

Onafhankelijkheid van hulpverlening

In de negentiende eeuw zijn er door de abolitionisten- degenen die de prostitutie wilden afschaffen- organisaties  van maatschappelijk werk in het leven geroepen om vrouwen uit de prostitutie te halen. Tot eind jaren zeventig van de twintigste eeuw bleven ze vrouwen stimuleren om met het vak te stoppen. Begin jaren tachtig verandert die doelstelling; enkele maatschappelijk werkers erkenden het beroep en specialiseerden zich in een hulpaanbod voor sekswerkers zonder ze onder druk te zetten met het werk op te houden. Zij gebruikten toen nieuwe methoden die voor de vrouwenhulpverlening waren ontwikkeld.

Inmiddels (2014) zijn er in Groningen, Rotterdam, Den Haag en Amsterdam grote organisaties voor het zogeheten prostitutie maatschappelijk werk actief. Ook deze maatschappelijk werkorganisaties vonden dat ze behalve hulp verlenen informatie over arbeidsrelaties en dergelijke moesten geven.  De Rode Draad moest toen ze haar kantoor in Rotterdam opende ook het Prostitutie Maatschappelijk Werk vragen sekswerkers door te verwijzen naar De Rode Draad.

Ook deze handelswijze van maatschappelijk werkers is niet gangbaar in andere beroepen. Bedrijfsmaatschappelijk werkers zouden er bijvoorbeeld niet over peinzen om informatie over belastingbetaling en arbeidsrelaties te geven. Dat zou immers in strijd zijn met de beginselen van maatschappelijk werk. Een maatschappelijk werker moet zich namelijk vierkant achter zijn/haar cliënt opstellen en kan daarom niet met leidinggevenden op het werk van de cliënt in discussies treden over arbeidsrelaties. Dat kan zijn/ haar cliënt in een moeilijke positie brengen. Andersom is het ook niet slim als belangenbehartigers de rol van de hulpverlener op zich gaan nemen, om een vergelijkbare reden. De belangenbehartiger kan in een ingewikkelde situatie komen als hij/zij zijn mond moet houden over bijvoorbeeld slechte werkomstandigheden. Bovendien missen de meeste belangenbehartigers de specifieke deskundigheid van de hulpverlener (en gezondheidswerker).

Door de ruime opvatting van wat Prostitutie Maatschappelijk Werk en gezondheidsvoorlichting aan sekswerkers behelst, werden medewerkers van deze organisaties terecht als deskundigen gezien. Maar ze kregen ook een rol als woordvoerders van sekswerkers toebedeeld. Zo schoven zij aan bij besprekingen met de Belastingdienst over opting-in, traden ze op bij hoorzittingen in het parlement en bij allerlei andere gelegenheden waar de positie van de sekswerker ter discussie stond.

Een stevige sekswerkersorganisatie kan pas ontstaan als de gezondheidswerkers en maatschappelijk werk hun eigen werk doen en collectieve belangenbehartiging overlaten aan de sekswerkers, net als in andere beroepen. Beroepsondersteuning bestaat namelijk uit drie componenten: belangenbehartiging, hulpverlening en gezondheidszorg, maar die moeten onafhankelijk van elkaar opereren, als gescheiden machten als een soort trias politica van de beroepsondersteuning. Dus ze moeten hun dubbele petten afzetten en zich beperken tot hun eigen vak: hulpverlening of gezondheidszorg/voorlichting. Deze organisaties zijn echter wel van belang als bondgenoten en samenwerkingspartners. [i]

Maar voor de sekswerkersorganisatie is er ook werk aan de winkel; ze moet niet een gat laten vallen dat de andere stakeholders kunnen opvullen. Daartoe moet een sekswerkersorganisatie professionaliseren, de juiste bondgenoten zoeken, de representiviteit veilig stellen en een model vinden om de interne dynamiek van sekswerkersorganisaties in goede banen te leiden.

 

Sietske Altink

 


[i] Sommige sekswerkersorganisaties hebben zakelijke dienstverlening in hun pakket. Dit kan van alles zijn van het verkopen van goedkope condooms tot een pensioenregeling. Dit lijkt voor de hand liggend; zowel de sekswerkers als de organisatie kunnen baat hebben bij bijvoorbeeld een collectieve inkoop van condooms. Dit kan echter fout gaan als de sekswerkersorganisaties zich verbinden aan één bedrijf of instelling. Dat is bijvoorbeeld bij Prosex gebeurd.