Net als andere gemeenten investeerde Rotterdam in gezondheidszorg voor sekswerkers. Vanaf 1903 waren er op dat gebied grote ontwikkelingen geweest. De blinde vlek in het verhaal over reglementering: het gebrek aan visitaties van de klanten zou een grote rol gaan spelen in de afschaffing van de reglementering en in Rotterdam tot een uniek initiatief leiden.

Prostituees krijgen de schuld

Raadslid Mees riep  tijdens een vergadering in 1903 in herinnering dat Van Staveren op de mogelijkheid van het oprichten van poliklinieken had gewezen als middel in de strijd tegen ziekten. Er lagen veel mannen met een soa in het ziekenhuis die net zo goed poliklinisch konden worden behandeld zodat het ziekteverzuim beperkt kon blijven. Het zou ook een bijdrage voor het probleem van plaatsgebrek in het ziekenhuis opleveren. Raadslid Stolk vond het toen een probleem dat geslachtsziekten niet onder de ‘bus’ vielen. (Ziekenfonds heette toen ‘bus’.) [I]Bossenbroek en Kompagnnie, p. 219, 1997 De Rotterdamse Raad besloot in 1903 een gratis polikliniek voor geslachtsziektebestrijding te openen. Van Staveren kon achteraf zeggen: ‘Door afschaffing van iets dat praktisch, logisch, juridisch, medisch en uit hygiënisch oogpunt verkeerd is (hij bedoelde de reglementering, SA), doen wij iets positiefs.’

Per 1 november 1903 ging deze geslachtspoli in bedrijf en werd ondergebracht in een benedenhuis aan de Oldenbarneveltstraat 123. Pas in 1921 toen de exploitatie werd overgedragen aan de GGD verhuisde men. In dat jaar werd het gehuisvest in een oud koopmanshuis aan de Nieuwehaven 87 dat bij het bombardement in vlammen is opgegaan. [II]Smael, 1969 Daarna werd het onderdeel van dermatologie (de huidenpoli) van het academisch ziekenhuis Dijkzigt, later het Erasmus MC. Daar bleef het tot 2009 waarna het in het pand van de GGD werd ondergebracht.

In de jaren zeventig toen een gang naar Dijkzigt de remedie was tegen een besmetting wilden klanten  seks zonder condoom, een dienst die in seksclubs wel werd geleverd. De clubs hadden contacten met de zogeheten clubartsen: artsen die naar de clubs kwamen, de vrouwen lieten betalen voor onderzoek en vaak de uitslag aan de exploitant mededeelden. Het gedrag van een van de Rotterdamse clubartsen werd zelfs één exploitant te gortig. Hij vertelde me in 1987 dat deze dokter de K. vrouwen voor injecties liet betalen die niet ziek  waren en dat hij gokverslaafd was. De exploitant: ‘Hij is een keer hier geweest, stomdronken en zei: ‘Ik ben dokter De K.’ Ik liet hem toch entree betalen. Hij bedreigde mij. Hij was alleen op geld uit.’

In Rotterdam speelde er in de tweede helft van de jaren negentig een gevalletje ‘belangenverstrengeling’. Een clubarts verkocht daar allerlei middeltjes van zijn broer, die een groothandel dreef in erotische producten. Berucht was de bye- bye crème, een uiterst onbetrouwbaar middel tegen aids, dat met behulp van exploitanten aan sekswerkers werd gesleten.

In de folder over de wetswijziging van 2000 stond dat het recht op vrije artsenkeuze een feit was. Maar dat was kennelijk nog niet overal doorgedrongen. In 2004 is er overleg geweest tussen De Rode Draad en Stichting Soa Bestrijding (nu Stichting Soa Aids Nederland) over deze kwestie. Toen werd de oplossing bedacht dat clubartsen voortaan officieel door de GGD moesten worden goedgekeurd. Een alternatief vormden de gezondheid/ dienstencentra voor sekswerkers zoals die in Amsterdam, Den Haag en inmiddels ook in Rotterdam naar Antwerps voorbeeld zijn opgericht. De dienstverlening is daar gratis. Een meer uitgebreid onderzoek wordt tegen een normale vergoeding verricht. De kosten daarvoor kunnen sekswerkers als beroepskosten aftrekken.

Eind jaren tachtig zijn de medewerkers van de GGD begonnen met het voorlichting geven op de werkplek. Dat gebeurde niet alleen in de huiskamers van de tippelzone, maar ook in clubs en privéhuizen. In de 21ste eeuw begon de GGD met hepatitis-injecties die men ook in de animeerbars toediende, een zeer gewaardeerde vorm van dienstverlening. Sowieso had de GGD bij sekswerkers in Rotterdam een goede reputatie. Het is te hopen dat de GGD in de toekomst niet gedwongen gaat worden om de intake van nieuwe sekswerkers te doen, wat mogelijk strijdig is met de vertrouwelijkheid van het contact met de GGD.

In 1987 dook er in de keet van de tippelzone een onaangenaam gespreksonderwerp op: aids. In oktober 1987 wisten 15 straatprostituees dat ze besmet waren. Een tweede onderzoek op de zone gold  daarom het thema aids. In Rotterdam kwam er een onderzoek naar de interactie tussen klant en prostituee op de tippelzone en de mogelijkheid voor de laatste om veilige sekstechnieken uit te onderhandelen. Er kwamen enkele voor de hand liggende conclusies uit: een heel kortdurend contact was niet zo gunstig voor de onderhandelingspositie en het omdoen van een condoom was in een auto lastiger dan in een (uur) hotel.

In dit onderzoek werd er veel aandacht aan de klanten van de vrouwen op de zone besteed. Die mannen bleken vooral praktische bezwaren tegen condoomgebruik te hebben. Maar veel klanten onderschatten ook het risico aids op te lopen en hadden allerlei fantasie- argumenten waarom zij niet besmet konden raken. ‘Een echte gezonde man, overkomt dat niet.’  Of: ik weet wat ik doe, want ik zie meteen wanneer iemand ziek is en ‘alleen buitenlanders krijgen dat’.  Aan het feit dat er regelmatig artsen in de Keet aanwezig waren, ontleenden ze een schijnzekerheid. De heren waren er maar moeilijk van te doordringen dat iemand na een gunstige uitslag van een test meteen besmet kan raken. (Download tippelen-voor-dope van mij over de reactie van de vrouwen.)

 

Bronnen

Sietske Altink

 

Noten   [ + ]

I. Bossenbroek en Kompagnnie, p. 219, 1997
II. Smael, 1969