Historici hebben uit de politieregisters veel informatie gehaald over de gang van zaken in de negentiende- eeuwse prostitutie in Leiden. Zo weten we iets over de vrouwen en hun klanten. [I]Dit artikel put uit de werken van Huitzing (1983) en Otgaar en Schaik, (1991, 1992 en 1993).

In de registers stonden veel vrouwen die elders eerder in de prostitutie hadden gewerkt. Van de 183 publieke vrouwen die in het eerste register (1853-1875) stonden waren er 72 geboren en getogen in Leiden. Tussen 1853-1880 kwam een derde uit de stad Leiden zelf. De een na de grootste groep kwam uit Den Haag en de vrouwen uit Utrecht vormden ook een grote groep. Er waren betrekkelijk weinig vrouwen uit Rotterdam ingeschreven. 27 vrouwen kwamen uit het buitenland, vooral uit Duitsland.

Cornelia E.,  werd in 1845 in een dorp als dochter van een broodbakker geboren. In 1850 vertrok het gezin naar Haarlem. In 1862 viel het gezin uiteen. Cornelia ging met haar moeder naar Amsterdam. Ze vertrok op jaar twintigste naar Schiedam waar ze als dienstbode werkte en een dochter kreeg. Ze liet zich later in Amsterdam als vrouw zonder beroep inschrijven in een woning boven een café in de Nes. In 1871 vertrok ze weer, ditmaal naar Rotterdam. In 1875 werd ze uiteindelijk in Leiden geregistreerd.

Sophia werd in een Brabants dorp geboren als vierde kind van een landarbeider. Haar moeder en een zus stierven en Sophie werd waarschijnlijk uitbesteed. Haar vader vertrok intussen met de rest van het gezin naar Zwijndrecht. Sophia vertrok vandaar alleen naar een Brabants dorp. Daarna ging ze onder andere in Tilburg als dienstbode werken maar eindigde op haar 24ste in Leiden als prostituee.


In de tweede periode werd er meer gereisd. De verbeterde vervoersmogelijkheden speelden daarbij een rol. De vrouwen begonnen vaak in de grote steden en gingen daarna door Nederland reizen of zochten hun heil elders in Europa.

Er kwamen veel dienstboden voor in de registers. Waarschijnlijk kwamen werkende vrouwen eerder in aanraking met prostitutie dan niet werkende, omdat de heren uit de hogere standen alle werkende vrouwen als prostituees beschouwden. Bovendien hadden de werkende vrouwen te maken met lage lonen, geen bescherming op de werkplek en veel concurrentie door de grote werkloosheid. In de Leidse wolindustrie waren de lonen vooral voor vrouwen laag en de werktijden lang.

In de periode 1853-1880 kwamen prostituees uit gezinnen van arbeiders en ambachtslieden. Wel was het opvallend dat drie vaders politieman waren wat veel is in zo’n kleine groep. In de tweede periode van 1880-1904 werkten er meer boerendochters in de Leidse prostitutie. Dat had te maken met de crisis in de landbouw in de jaren tachtig die door de invoer van goedkoop Amerikaans graan en Zuid- Amerikaans vlees werd veroorzaakt. De plattelandsvrouwen verlieten hun dorpen meestal zonder hun ouders. Veertig procent van de prostituees had als dienstbode gewerkt tegen 24 procent van de algemene vrouwelijke populatie. Later werd het aandeel van de voormalige dienstboden in de prostitutie minder. Rond 1900 was er namelijk een tekort aan dienstboden waardoor zij een hoger loon konden vragen.

Gezinssituatie

Sionsteeg in De Camp. Deze wijk is anno 2013 een 'dure' en prettige wijk.

Sionsteeg in De Camp. Deze wijk is anno 2013 een ‘dure’ en prettige wijk.

Zestig procent van de prostituees in de tweede helft van de negentiende eeuw had een of beide ouders verloren. Zo’n gebeurtenis veroorzaakte geldgebrek en vaak problemen met de stieffamilie. Als de moeder alsnog trouwde werden de problemen van de dochter er niet minder om. Dochters van ongehuwde moeders hadden armoede en verwaarlozing gemeen met de (halve) wezen. Een onecht kind kon geen fatsoenlijk huwelijk sluiten.

Er waren een paar kinderrijke gezinnen waarvan sommige dochters al jong in een bordeel gingen werken. Er was een Leids gezin met vier geregistreerde prostituees. Van 55 prostituees in de eerste periode bleek dat er 42 meerdere prostituees in de familie hadden.

In de tijd van de reglementering duikt de naam Prillevitz drie keer op in de registers. Nadat moeder Prillevitz haar twaalfde kind had gebaard, stierf ze. De oudste dochter moest aan de slag als dienstbode. In 1858 liet zij zich als publieke vrouw inschrijven bij Caroline van der Ende. In 1862 moest ze naar het gasthuis. Ze stierf op jonge leeftijd in 1873. Twee van haar zussen kozen ook voor het beroep. In 1866 liet de jongste zus zich eveneens bij Elisabeth van Bemmel inschrijven. Kort daarop vertrok zij naar Rotterdam, maar kwam in 1867 terug naar Leiden. De middelste zus, Elisabeth Cristina was ook bij Carolina van der Ende gaan werken. Zij was vaak ziek en is drie keer wegens baarmoederproblemen in het gasthuis opgenomen. Zij kreeg vier kinderen, waarschijnlijk bedrijfsongevallen. In 1875 liet zij zich ook uitschrijven als bordeelhoudster en verkocht haar bordeel aan de weduwe Winkeler.

Kinderen en echtgenoten

Van 65 geregistreerde Leidse prostituees in de periode 1853-1904 staat vast dat ze al voor de registratie van een kind waren bevallen. In de eerste en tweede periode ging dit om 23 procent. Dat is veel hoger percentage dan bij andere vrouwen.

Gehuwde vrouwen mochten niet zonder toestemming van de echtgenoot in de prostitutie werken. In de periode tot 1880 waren acht geregistreerde vrouwen gehuwd of getrouwd geweest. In de tweede periode komen 19 getrouwde of voorheen getrouwde vrouwen voor in de registers, waarvan er zes bordeelhoudster waren. Onder hen bevonden zich ook weduwen en gescheiden vrouwen. In de tweede periode waren meer vrouwen ingeschreven die getrouwd waren (geweest). Een vijfde van de geregistreerden is na de inschrijving in het register alsnog getrouwd.

De gemiddelde leeftijd van de geregistreerde prostituees was betrekkelijk hoog. Tussen 1853-1880 waren ze gemiddeld 27 jaar. En in 1880-1904 26 jaar. Niemand was jonger dan 20 en de oudsten waren 48. Buitenlandse vrouwen waren bij de eerste inschrijving iets jonger dan Nederlandse geregistreerde vrouwen.

Van sommige vrouwen zijn briefjes in de registers bewaard. Die kwamen vooral van vrouwen die door overhaast vertrek hun boekje niet hadden ingeleverd. Ze deelden bijvoorbeeld mee dat ‘ze zich tot beter leven zullen schikken’. Uit de brieven blijkt dat ze dan meestal bij hun moeder gingen wonen. Sommigen bleven in bordelen werken, maar in een andere hoedanigheid, bijvoorbeeld als naaister. Anderen pakten hun werk als dienstbode weer op. Een klein deel van de Leidse prostituees kwam terecht in de instituten van Heldring voor ‘De Opbeuring van Boetvaardige Gevallen Vrouwen’. Die Opbeuring hielp weinig; uit de registers blijkt dat velen onder hen hun oude stiel weer oppakten. In 1850 werd in Zoeterwoude de RK Liefdewerk van de Goede Herder gesticht. De ‘Magdalena’s’ zaten daar in een afzonderlijk verblijf. Zij moesten daar ‘door een boetvaardig en arbeidzaam leven voldoen voor haar vorige afdwalingen’. In 1878 bestond die afdeling niet meer. [II]Leidsch Dagblad 1-01-1978

Verdiensten

De prijzen varieerden: de 38 jarige Maria Coster kreeg een kwartje, maar de jonge Dina Krul kreeg 2,50 per klant. Gemiddeld leverde een contact twee gulden op. Het is niet bekend of de vrouwen in de legale bordelen de helft moesten afdragen. Dit gebeurde wel in bijvoorbeeld de tapperij van Jacobs, Nieuwe Beestenmarkt 19. Clandestiene prostituees waren net zo duur als hun geregistreerde collega’s. Maar het clandestien werken had andere voordelen. Deze vrouwen hoefden geen afdrachten aan bordeelhouders te doen, ze konden zelf de klanten werven en zich aan de medische onderzoeken onttrekken.

Criminaliteit

Soms was de combinatie van illegaal, legaal en criminaliteit in één persoon verenigd. Zo werd Jannetje de Blaauw in 1873 opgepakt wegens illegale prostitutie. Ze stond bekend als dievegge, ook deed ze met vriendinnen aan afpersing van klanten. Op 8 juli 1873 liet zij zich inschrijven in het register in een regulier bordeel. Ze trok bij haar vriendin Cato van de Bosch in, die een bordeeltje dreef in de Korte Sint Agnietenstraat. Later ging ze weer het illegale circuit in.

Prostitutie ging zowel bij legale als illegale prostitutie vaak gepaard met diefstal. De bordeelhoudsters gingen soms ook op het dievenpad. Zo had Carolina van der Ende vooral in de jaren zeventig het een en ander te stellen met de politie. In de eerste helft van 1874 werd ze acht maal wegens afpersing, vechtpartijen en berovingen vermeld in de Dag- en Nachtrapportage van de gemeentepolitie. Zo werd een Aalsmeerse schipper in een nacht in mei 1874 omsingeld door vier vrouwen waaronder genoemde bordeelhoudster en Mie de Vos, ex-prostituee en houdster van een bierhuis. De vier maakten hem zijn geld afhandig. De vrijwel altijd dronken Cornelia Paradijs slaagde er regelmatig in, wanneer ze bij een klant op schoot zat, zijn geldbuidel te pikken. Zij en andere vrouwen lieten dit ook wel aan medeplichtigen over. Die stopten bijvoorbeeld de gestolen spullen stiekem in hun laars. Dat waren nogal eens militairen die een relatie met een prostituee hadden gekregen.

Zo ging eind juli 1879 de 28 jarige paardenkoopman naar de Leidse kermis. In een louche kroeg aan de Morsstraat werd hij aangesproken door een vrouw die hem meenam naar het bordeel van weduwe Snijders. Een huzaar volgde hem op deze wandeling. Na enkele drankjes wou hij met de vrouw naar boven. Daar wilde hij niet extra voor betalen, want hij dacht dat het in de prijs van de consumpties was inbegrepen. Hij werd beroofd. De meid in kwestie, Cornelia Middelbraad, alias Dronken Cor had de buit inmiddels aan de huzaar gegeven. Op 29 maart 1878 werd Simon Johannes Kreps, echtgenoot van de voormalige Leidse bordeelhoudster Elisabeth Prillewitz, bestolen in het bordeel van Louisa van de Horst aan de Korte Sint Agnietenstraat 10. De 19 jarige prostituee Geertruida Boom ontfutselde de beschonken huzaar Jan Doodeweerd zijn horloge.

Klanten in het 19de eeuwse Leiden

Klanten werden nogal eens geconfronteerd met veel te hoge drankrekeningen. Gekleurd water werd als likeur verkocht. De bordeelhouders verdienden kennelijk meer aan het tappen dan aan prostitutie. Zo was de 33 jarige Leidse timmerman Johannes Petrus Sloos met twee vrienden naar het bordeel van Gijsberta Johanna Galjé aan de Lange Sint Agnietenstraat no. 3 gegaan. Na afloop moest hij 45 gulden betalen. Daarnaast moest hij een gulden betalen voor de striptease van een prostituee van dienst en vijftig cent voor gebroken glazen. (Een bezoek aan een prostituee kostte in die tijd 1 tot 2 gulden). Zijn horloge werd ook nog gestolen. Daarna had de strippende prostituee een andere klant voor een hele nacht. Deze klant betaalde maar drie gulden. Veel mannen kwamen niet verder dan de gelagkamer op de benedenverdieping van het bordeel. Ze beperkten zich tot het drinken van een of meerdere glazen. Waarschijnlijk was dat spannender dan drinken in een regulier dranklokaal. De drankvergunning was dus van groot belang voor de bordeelhouders die de leges keurig betaalden. Bij het niet voldoen aan de regels kon de politie dreigen deze vergunning in te trekken.

De enige bronnen voor klanten waren de dag- en nachtrapporten van de politie en de processen verbaal van de gemeentepolitie. De klandizie in Leiden bestond vooral uit ambachtslieden en arbeiders. De grootste groep klanten was tussen 20 en 30 jaar. Iets meer dan de helft van de klanten kwam uit Leiden. Heel weinig kwamen er uit de naburige gemeenten. Alleen De Vijf Sterren had enig niveau maar er waren geen luxe bordelen in Leiden. De Camp was een gevaarlijke buurt voor de bourgeoisie. Alleen al het feit dat ze in de beruchte buurt  liepen, was al reden om gechanteerd te worden. De hogere klassen gingen waarschijnlijk naar bordelen in Den Haag en in Amsterdam.

Naast de ambachtslieden vormden militairen en studenten aparte groepen klanten. Studenten komen in de politierapporten vooral voor in verband met dronkenschap en als slachtoffer van berovingen. Een enkele keer lieten studenten een prostituee naar hun kamers komen maar ze gingen meestal naar de bordelenwijk De Camp. (tussen Mare, Oude Vest, Turfmarkt en Haarlemmerstraat). Het populairst bij studenten was Vrouwenkerkhof 14, De Vijf Sterren ook wel Quintus of De Quint genoemd. Aangezien er veel toekomstige academici kwamen, wilde het bedrijf graag zijn goede naam behouden. Zatte en lastige klanten werden er zonder pardon uitgegooid. Zo werd de dronken kroegbaas Franciscus Regeer in 1877 er door vier studenten, een leraar en een fabrikant verwijderd. Mannen met een slechte reputatie werd het leven zuur gemaakt. Jonkheer Adrien Joseph van den Bergh, procureur in Den Haag, had zich in zijn studententijd impopulair gemaakt door zijn vaste prostituee Kaatje van der Goed met bierglazen te bekogelen. Bij een later bezoek werd hij in de Vijf Sterren uitgescholden: ‘Het is die bult zijn eigen schuld dat hij die bult moet dragen’ [III]Het is mij niet bekend of de uitdrukking Eigen Schuld Dikke Bult hier zijn oorsprong vindt. Volgens twitteraar Joey van Maanen komt het uit het Friese dorpje Bontebok toen ineens veel vrouwen zwanger bleken. – de man had inderdaad een bult- waarna er een vechtpartij uitbrak. In dit conflict koos de politie de kant van de studenten en de bordeelbaas.

Studenten gingen niet alleen naar het favoriete Vijf Sterren maar ook naar de goedkoopste bordelen met een slechte reputatie. Daar werden ze beroofd, geweigerd of eruit gegooid, net als andere klanten. De 18 jarige student Remko Adriaan Vogelenzang  die in 1878 op de deur van het bordeel van Roosje van der Kley in de Vrouwenkerksteeg bonkte, kreeg de inhoud van een pispot op zijn hoofd. Vooral in de als slecht bekende staande huizen van Louisa Isabella van der Horst, Korte Agnietenstraat 10 en van Gijsberta Johanna Galjé aan de Lange Sint Agnietenstraat 3 raakten klanten vaak hun in onderpand gegeven horloges kwijt. ‘Mooie Cor’, ofwel  Cornelia Magdalena van der Kleij wees de dronken koopman Willem Vroomans af met de mededeling dat ze geen boeren als klant accepteerde. Daarop trok hij zijn goed gevulde portefeuille die hem prompt werd ontfutseld. Op een goede dag besloten studenten na een drinkgelag een huis van ontucht in de Heerensteeg te bezoeken. Er werd niet opengedaan en de studenten probeerden met geweld naar binnen te gaan. Ze kregen het voor elkaar dat de deur van de boom afsprong. Maria van Niel, een meisje uit het huis, ging bij de deur staan om het hout vast te houden. De waard gooide daarop vanaf de bovenverdieping heet water op de studenten. De studenten werden boos en een van hen schoot door de deur. Maria van Niel werd getroffen en stierf.

Militairen stonden bekend om de vechtpartijen die ze in kroegen en bordelen aanrichtten. Ze gingen groepsgewijs naar De Camp, naar acht als ongunstig bekend staande bordelen of naar illegale bierhuizen die overigens voor hen verboden terrein waren. Ze werden vaak geweigerd bij de reguliere bordelen.

De strijd tegen geslachtsziekten

Het Caeciliaziekenhuis is nu het Boerhaavemuseum

Het Caeciliaziekenhuis is nu het Boerhaavemuseum

In 1852 boog een plaatselijke commissie zich over de verspreiding van syfilis. In het Caecilia ziekenhuis werden daarop ‘verband- en syphilitische’ zalen ingericht. Schurftlijders lagen er naast syfilislijders. Bij ruimtegebrek werden er andere zieken bijgeplaatst. Dokter W.H.S. Junius was daar van 1853 tot 1873 door de gemeente aangesteld als Medicinae et Chirurgiae. Met een assistent moest hij alle publieke vrouwen twee keer per week controleren tegen een vergoeding van 300 gulden per jaar. [vii]  [IV]Leidsch Dagblad 22-05-1987 De vrouwen hadden een hekel aan de keuring waar de artsen ze niet altijd met respect behandelden. De bordeelbazen en de prostituees werden nerveus van de visitaties. Bij het minste geringste werden ze naar de dokter gestuurd. Vrouwen die ziek waren konden opname in het ziekenhuis weigeren, maar werden dan uit de Leidse bordelen geweerd. Soms ging een vrouw al op reis als ze alleen maar vermoedde dat ze besmet was. [viii] [V]Fokker schreef in zijn boek (1879) De Prostitutie-kwestie dat het sanitair onderzoek in Leiden goed werkte.. .Hij baseerde zich op ‘inlichtingen’. Het medisch toezicht had effect: het aantal garnizoenssoldaten met syfilis daalde. Nu is dat altijd een heikel punt: de soldaten kunnen ook elders besmet zijn geraakt. Volgens een verslag uit 1854 van de hoogleraar Krieger en andere genees- en heelkundigen, kwamen er dat jaar in vergelijking met vorige jaren slechts  ‘weinige gevallen van syphilitis’ voor.

Twee jaar later was hij minder optimistisch want hij constateerde ernstige vormen van syfilis bij clandestiene prostituees. Zij konden alleen naar het ziekenhuis worden gestuurd als ze voor een of ander misdrijf waren opgepakt. Zowel dokter Junius als de commissaris van de politie beweerden dat de illegale prostitutie steeds meer toenam. In Leiden waren er in de laatste jaren van de registratie nog maar een paar vrouwen ingeschreven. De politie drong daardoor steeds minder op registratie aan. In 1904 meldde een gemeentelijke gezondheidscommissie dat vrijwel alle geregistreerde prostituees met gonorroe waren besmet. De verplichte controle kon inderdaad weinig uitrichten; pas in de twintigste eeuw waren er effectieve behandelingsmethoden beschikbaar. Het Leidse raadslid Le Poole beweerde in 1877 dat de medische keuring niet bijdroeg tot verbetering van de moraal. Over die visie is enige jaren gedebatteerd. [VI]Leidsche Courant 16-09-1992

Een einde aan de reglementering

Voormalige ziekenzaal in het Boerhaavemuseum

Voormalige ziekenzaal in het Boerhaavemuseum

De tegenvallende resultaten van de verplichte visitaties was niet de enige reden waarom het systeem van de reglementering ter discussie stond. De houding ten opzichte van prostitutie veranderde; men ging het steeds minder als ‘normaal’ beschouwen. Een teken van deze veranderende houding was het voorstel van de gemeenteraad uit 1879 om nadere eisen aan de vestiging van bordelen te stellen; bijvoorbeeld niet in de buurt van scholen en kerken.

Dat was mosterd na de maaltijd. In de jaren zestig van de negentiende eeuw ging het slecht met de Leidse prostitutie. In 1866 waren er 24 prostituees ingeschreven waaronder negen nieuwkomers. Het jaar daarop was dat aantal slechts vijftien en daar zaten geen nieuwkomers bij. Dit bleef ongeveer stabiel tot 1869. Toen stonden er maar 13 prostituees geregistreerd. In 1871 schoot het aantal tijdelijk omhoog naar 31, maar dat had alles te maken met de vrouwen die door de familie Winkeler uit Haarlem werden aangeleverd.

De erkende bordeelhouders gingen ten onder aan de illegale prostitutie. In 1890 waren er nog acht officiële madames. Tien jaar later was dat aantal gehalveerd. Rond 1900 waren er in Leiden vijf geregistreerde bordelen waar een stuk of tien prostituees werkten. Daarnaast waren er vijftien clandestiene huizen met zeventien illegale prostituees. In 1904 – het jaar van de sluiting van de bordelen- waren er nog maar drie geregistreerde bordeelhoudsters in Leiden.

In 1892 deed De Nederlandsche Vereeniging tegen  de Prostitutie (NVP) de eerste poging de stad Leiden ervan te overtuigen dat er een bordeelverbod moest komen. Maar de politiecommissaris gaf een negatief advies. De toen liberale gemeenteraad volgde hem daarin. Daarop besloot de NVP de Kerkraden in te schakelen. Dit leidde tot de oprichting van de Leidse afdeling van de NVP.

In 1901 kwam de kwestie weer op de agenda van de gemeenteraad. Opnieuw kwam het bordeelverbod er niet door. Het katholieke raadslid Aalberse deed in 1904 een nieuwe poging. Na verhitte discussies wilde men eerst de bordeelhouder strafbaar stellen als hij ‘bewust’ gelegenheid tot ontucht gaf. Dat zou buitengewoon moeilijk te bewijzen zijn. Aalberse slaagde erin dit door middel van een amendement deze formulering te schrappen. In 1904 werd er ook een tippelverbod en lokverbod van kracht. In een verordening met slechts zes artikelen werd in 1904 de sluiting van de bordelen bevolen. In Leiden werd in 1912 ook het prostituee bezoeken strafbaar gesteld. Over het algemeen trad Leiden daarna niet meer op tegen bordelen.

Lees meer over prostitutie in Leiden

Prostitutie in Leiden tot de achttiende eeuw

Prostitutie in Leiden in de 18de eeuw

Prostitutie in Leiden in de tweede helft van de negentiende eeuw (deel 1)

Prostitutie in Leiden na 1904

Prostitutie in Leiden vanaf de wetswijziging tot 2011

Sietske Altink

Bronnen

Noten   [ + ]

I. Dit artikel put uit de werken van Huitzing (1983) en Otgaar en Schaik, (1991, 1992 en 1993).
II. Leidsch Dagblad 1-01-1978
III. Het is mij niet bekend of de uitdrukking Eigen Schuld Dikke Bult hier zijn oorsprong vindt. Volgens twitteraar Joey van Maanen komt het uit het Friese dorpje Bontebok toen ineens veel vrouwen zwanger bleken.
IV. Leidsch Dagblad 22-05-1987
V. Fokker schreef in zijn boek (1879) De Prostitutie-kwestie dat het sanitair onderzoek in Leiden goed werkte.. .Hij baseerde zich op ‘inlichtingen’. Het medisch toezicht had effect: het aantal garnizoenssoldaten met syfilis daalde. Nu is dat altijd een heikel punt: de soldaten kunnen ook elders besmet zijn geraakt. Volgens een verslag uit 1854 van de hoogleraar Krieger en andere genees- en heelkundigen, kwamen er dat jaar in vergelijking met vorige jaren slechts  ‘weinige gevallen van syphilitis’ voor.
VI. Leidsche Courant 16-09-1992