De auteurs die over prostitutie in het 19de eeuwse Leiden schrijven, onderscheiden twee periodes. De eerste loopt van 1853 tot 1880; de tweede van 1880 tot 1904. Het jaar 1880 markeert volgens hen een keerpunt in de discussie over reglementering. [i]

Aanvankelijk wilde Leiden niet aan het verzoek van Koning Willem I tot reglementering van de prostitutie voldoen. In 1818 wilde B en W van Leiden de zedelijkheidswetgeving slechts beperken tot het tegengaan van onbetamelijk (naakt) zwemmen en het baden in de grachten en de singels. [ii] Na invoering van de gemeentewet zag Leiden in reglementering wel een middel om de verspreiding van geslachtsziekten tegen te gaan en een beter toezicht op de bordelen te realiseren.

Na zeven jaar delibereren gaf Leiden op 24 oktober 1853 in een verordening met 25 artikelen de grenzen aan waarbinnen ontucht was toegestaan. Artikel 19 bepaalde bijvoorbeeld dat vrouwen in geregistreerde bordelen niet de aandacht van voorbijgangers mochten trekken. Zeven artikelen gingen over de eisen die aan de behuizing en bordeelhouders werden gesteld. De enige eis waaraan de laatsten moesten voldoen was dat zij zich als zodanig moesten registreren en – als het een vrouw betrof-  zich wekelijks medisch moest laten onderzoeken. Prostituees moesten zich twee keer per week door de dokter laten keuren. Artikelen 8 en 9 gingen over dit testen, de zogeheten visitatie.

Van groot belang was artikel dertien: ‘Binnen acht dagen na de publicatie van de verordening  en daarna elke dinsdagmorgen moesten prostituees aan het politiebureau ‘aangifte doen van naam, voornamen en adres’. Dit moest worden ‘herhaald’ bij de opening van een nieuw bordeel of bij een verhuizing. De geregistreerde prostituees en bordeelhouders kregen een boekje dat ze te allen tijde moesten kunnen overleggen. Als ze ziek waren moesten ze het boekje teruggeven en zich (tijdelijk) laten uitschrijven. Het andere personeel van het bordeel moest die procedure ook ondergaan. Dus de dienstboden van het bordeel dienden over zo’n boekje te beschikken. Politiebeambten kregen de bevoegdheid  ‘de woning of de verblijven der bordeelhouders binnen te dringen’. Deze verordening werd uitsluitend door middel van muurplakkaten kenbaar gemaakt en niet in de krant gepubliceerd, wat bij andere verordeningen wel gebruikelijk was.

De Lange Agnietenstraat omstreeks 1900

De Lange Agnietenstraat omstreeks 1900

De Leidse registers uit de periode van 1853-1904 zijn bewaard gebleven. Het oudste register in Leiden was  het ‘Register van de zoodanige, die zich als openbare vrouwen aangeven, gehouden aan het Bureau van Politie te Leyden, den 9 november 1853.‘  [iii] Vooral in de eerste registers leek de situatie in Leiden gedetailleerd te zijn gerapporteerd. Maar dat is slechts schijn; de registers zijn incompleet en de ambtenaren waren slordig. De vrouwen bleven vaak ingeschreven als ze het bordeel hadden verlaten om zelfstandig te gaan werken of te gaan wonen. Sommige vrouwen zijn wel twintig keer in- en uitgeschreven. In de registers stonden ook vrouwen die klanten in cafés oppikten en naar de rendez -vous huizen meenamen, waar ze een kamer huurden. De Dag- en Nachtrapporten van de Gemeentepolitie, en de registers van de burgerlijke stand en niet te vergeten de verslagen van  de gemeente-arts W.H.C. Junius vormden een belangrijke aanvulling op de gegevens.

Binnen een jaar na de afkondiging  van de verordening hadden slechts 44 vrouwen zich laten inschrijven. In totaal werden in 51 jaar 551 vrouwen en drie mannen (bordeelhouders) geregistreerd. Lang niet alle vrouwen die met ‘hun schande winst deden’ stonden in de registers. Sommige vrouwen konden niet in de geregistreerde bordelen werken omdat ze daar door hun overmatig drankgebruik uit waren gegooid. Vooral de vrouwen uit Leiden zelf ontdoken de registratieplicht. Vrouwen van buiten Leiden waren echter voor onderdak van de bordeelhoudster afhankelijk. Buitenlandse vrouwen hadden als reden om zich wel te laten registreren dat zij zo konden aantonen dat ze een officiële bron van inkomsten hadden.

De locaties

In de periode 1834-1860 waren de  bordelen nog niet in een bepaalde stadswijk geconcentreerd. In de jaren veertig waren er ook bordelen in De Stier (Houtmarkt 13), de Heerensteeg, de Panciassteeg en de De Doelengracht. Er was een rendez-vous huis aan de Apothekersdijk. Ook in de Koddesteeg, de Mandenmakerssteeg en in de Langstraat zaten bordeeltjes. Wel waren ze vooral te vinden bij de Langerbrug en in De Camp. De Camp lag (ligt) tussen de Mare, de Oude Vest, de Turfmarkt en de Haarlemmerstraat. Uit de volkstelling van 1849 bleek dat er twaalf bordelen waren die door de hele stad waren verspreid. Na 1870 werden alle bordelen in De Camp geconcentreerd. Er waren daar twee bekende bordelen: De Vijf Sterren op Klooster 14 en de Likkepot.

De overheid slaagde er echter niet in de prostitutie te beperken tot de geregistreerde bordelen en de prostituees binnen te houden. Prostituees lieten zich bijvoorbeeld in de zomer met een koetsje vervoeren naar de omgeving van de stadspoorten. Er was een tippelgebied bij de Ruïne, waar  nu het Van der Werfpark ligt. Daar was Hendrica de Jong, ofwel Hoerige Heintje bijna altijd te vinden. Prostituees haalden hun klanten ook uit de vijf slecht bekend staande tapperijen/ speelholen aan de Morsstraat en namen ze mee naar een stille knip (geheim bordeel), achter de school op de Bloemmarkt, (nu Boommarkt) of naar de tuin van het anatomisch kabinet aan de Zonneveldstraat. Ook konden ze terecht in het logement van Kat in de Jan Vossensteeg of in het clandestiene huis aan de Langebrug, het logement van Uljée aan de Stationsweg of op de bovenverdieping van kruidenierster Schreuder, waar de weduwe Verstraate kamers verhuurde. In De Camp en de Sliksteeg werden ook illegaal kamers verhuurd. Daar kon men verkeren met de 13-jarige dochter van vrouw Ensesling. Wie een voorkeur had voor oudere dames kon naar vrouw Felthof, Beestenmarkt 51. Zij poseerde soms als naaktmodel voor studenten.

Legale bordeelhouders

De Likkepot

De Likkepot

De Leidse bordelen waren in het bezit van kooplieden, die ze niet zelf exploiteerden maar ze verhuurden aan bordeelhoudsters, in de registers ‘publiekhuishoudster’ genoemd. Tussen 1853-1875 registreerde de ambtenaar van de bordeelhouders alleen de namen. De werkneemsters werden er wel bij genoteerd. Soms waren dat er meer dan honderd,  soms maar enkele vrouwen. In de registers komen 24 vrouwelijke bordeelhouders en twee mannelijke bordeelhouders voor. Een derde mannelijke bordeelhouder werd pas ingeschreven nadat zijn vrouw was overleden. Meestal stond het bordeel op naam van de vrouw maar soms werd het bordeel met de naam van de man aangeduid. Vaak exploiteerde het echtpaar samen het bordeel maar wilde de politie liever de vrouw registreren zodat zij onder medische controle bleef staan. Bordeelhoudsters hoefden immers ‘maar’ een keer per week naar de dokter, de werkneemsters twee keer. Deze halvering van het aantal visitaties door de dokter was een voordeel voor de publieke vrouwen die bordeelhouder werden.

Maar bijvoorbeeld ‘publiekhuishoudster’ Carolina van der Ende bleef als prostituee actief. Daar kon de Leidenaar Jacobus Mitterwijnen van getuigen. Hij had in 1874 een ‘vleselijken aanraking’ met Carolina gehad. Zij eiste een gulden extra omdat zij speciaal was. Hij weigerde dat te betalen waarop zij zijn portemonnee stal.

Kleinschalig en grootschalig

In de jaren vijftig van de negentiende eeuw waren de bordelen nogal kleinschalig. Er werkten hooguit vier vrouwen maar een bezetting van een of twee vrouwen was geen uitzondering. De bordeelhoudsters verhuisden vaak met al hun medewerkers en namen regelmatig elkaars bordelen over. Volgens de historici Otgaar en Schaik (1991) gingen de werkneemsters in de kleine huizen vriendschappelijk met de bordeelhouders om. In grotere huizen zoals De Vijf Sterren waar meestal ook een man aanwezig was, waren de verhoudingen waarschijnlijk minder gunstig. De vrouwen vertrokken meestal na een ruzie met de bordeelhoudster of als ze door haar mishandeld waren.

Wilhelmina Overduin was een van de weinige bordeelhouders die niet als prostituee was begonnen. In 1839 woonden zij met haar man, drie kinderen en drie prostituees in de Spijkerboorsteeg 6. Tussen 1850-1860 heeft bijna iedere geregistreerde prostituee bij haar gewerkt onder wie haar achternichtje Catharina Kramer en Alide Marbus uit Leiderdorp die in 1863 met de man van Wilhelmina ging samenwonen. [i]

Aan de kleinschaligheid van het Leidse bordeelwezen kwam een einde door de komst van de familie Winkeler (ook wil Winkelaar genoemd) uit Haarlem, die 35 jaar lang de legale Leidse prostitutie in handen heeft gehad. Vader Winkeler was begonnen met een tapperij in het Begijnhof in Haarlem dat in de 19de eeuw al een hoerenbuurt  was. Zijn vrouw vestigde vanaf 1869  haar macht in Leiden, toen ze het bekende etablissement De Likkepot in handen kreeg. Gedurende negen jaar heeft zij vijf Leidse bordelen beheerd. Ze zorgde er ook voor dat familieleden een vinger in de pap kregen in andere bordelen. Later ging zij terug naar Haarlem en stierf in het huis waar haar man als tapper was begonnen.

Gevelsteen van De Likkepot, te vinden in museum De Lakenhal

Gevelsteen van De Likkepot, te vinden in museum De Lakenhal

Een tweede dynastie was die van Georgius Hironimus Krekelaar, stamvader van de steeds belangrijker wordende illegale prostitutie in De Camp. Na enige omzwervingen en een echtscheiding liet hij zich nog officieel inschrijven als bordeelhouder te Leiden. Hij nam domicilie aan de Caeciliastraat waar hij met zijn gezin en prostituees tussen de panden 27, 43 en 69 heen en weer ging. In 1881 opende hij een bordeel/slaapstede in de Korte Sint Agnietenstraat. Samen met zijn vrouwe exploiteerde hij later een verdacht bierhuisje.

Sietske Altink

Prostitutie in Leiden tot  18de eeuw

Prostitutie in Leiden in de achttiende eeuw

Prostitutie in Leiden in de tweede helft van de negentiende eeuw (deel 2)

Prostitutie in Leiden na 1904

Prostitutie in Leiden vanaf de wetswijziging tot 2011

Bronnen


 


[i] Dit artikel put uit de werken van Huitzing (1983) en Otgaar en Schaik, (1991, 1992 en 1993).

[ii] Leidsch Dagblad 4-6- 1977

[iii] Deze registers zijn een bron van gegevens voor onderzoekers die daar ook dankbaar gebruik van maakten. Begin jaren negentig van de twintigste eeuw leverde dat nog een relletje op: een nu nette familie werd door het slijk gehaald. Leidsch dagblad 12-2-93

[iv] Bij opgravingen werden in een beerput luxe pijpen gevonden, duurder dan de gewone man zou gebruiken. De beerput was van het bordeel van Wilhelmina Overduin.  (Leidsche courant 25-11-1986)