In de achttiende eeuw stonden in Leiden prostitutie, koppelarij, overspel en sodomie als zedendelicten te boek. De helft van deze zedenprocessen betrof net als elders in de Republiek gevallen van overspel. Wel vormden zedendelicten in Leiden een groot aandeel van het totaal aantal misdrijven. Prostitutie maakte in Leiden een kwart van het aantal zedenprocessen uit maar de overheid vervolgde niet altijd. Meestal trad men alleen op naar aanleiding van klachten over overlast en mishandeling. In het achttiende- eeuwse Leiden zijn driemaal grote acties tegen bordelen ondernomen: in december 1725, januari in 1721 en een keer in 1725. In de jaren twintig van de achttiende eeuw hadden prostituees  en bordeelhouders vaak te maken met agressie uit de buurt, waardoor ze steeds moesten verhuizen.

symbolen voor geslachtsdelen. Het hangt in de Lakenhal in Leiden.

De Camp

In het midden van de 18de eeuw nam het aantal processen tegen koppelaars en prostituees af maar in de tweede helft nam het weer toe. Dit gebeurde vaak op instigatie van de buurtbesturen. Zij hadden namelijk meer macht gekregen doordat in 1762  de overheid buurtboeken was gaan aanleggen. Vanaf 1768 moesten burgers bij verhuizing naar een andere buurt een zogeheten buurtbriefje overleggen.

Dit soort maatregelen maakte sociale controle mogelijk. De klachten over overspel die de heer van de buurt bij de schout deponeerde, werden serieus genomen. Ook de autoriteiten van de Hervormde Kerk klaagden vanaf de jaren zestig bij de schout.

In de jaren 1773-1774 pakte de schout vrouwen op die in de ‘stille huizen’ werkten. Deze vrouwen werden enige tijd in de gevangenis Gravesteen opgesloten. Lange straffen werden echter niet gegeven omdat de stad geen lang verblijf in dat tuchthuis wilde betalen. Maar er waren uitzonderingen.

In 1773 werd ene Sijtje Stoute voor prostitutie veroordeeld tot vijf jaar tuchthuis en geseling. Jacomina Stoute kreeg straf omdat ze van eind 1777 tot december 1810 in haar huis gelegenheid tot ontucht had gegeven. [I]Leidsche Courant 27-11-1990 Beide vrouwen werden gestraft en verbannen maar het afschrikwekkend effect daarvan was onvoldoende. Willemijntje Jans, Dirkje Pické , de dames Wolfswinkel, Mie Poes en Sara van Eyck zetten hun praktijken gewoon voort. De koppelaars Coo Eenoog, Zwarte Trijn, Mooi Hesje, Griet Krullebol, Anna Houtekop en Swane halsje bleven keet trappen met juffrouw Blomrood, Griet Lamoen en Anna ’t Appelwijf of Ariaan de Zangster.  [II]Leidsche Courant 15-10-1982

Klanten, ook de gehuwden onder hen, werden niet vervolgd. Overspel van mannen met niet-prostituees werd overigens wel bestraft. In de tweede helft van de 18de eeuw was er in Leiden een meer moralistische opstelling van de wereldlijke overheid merkbaar. Vanaf 1780 nam de afkeuring van prostitutie toe. De vrouwen moesten steeds vaker hun besluitde prostitutie in te gaan, verdedigen. Prostituees werden ook aangesproken op niet -seksueel gedrag. Ze kregen standjes omdat een wandeling met een man onfatsoenlijk was.  Broers verweten zussen dat ze in de prostitutie zaten. Prostituees raakten geïsoleerd in hun eigen familie.  Soms vielen burgers op straat een prostituee aan. Men keerde zich ook tegen ongehuwde moeders en onwettige kinderen.

Het Gravensteen is in 2013 een gebouw van de universiteit

Het Gravensteen is in 2013 een gebouw van de universiteit

In 1800 verzocht een burger zijn dochter met  ‘eene gantsch ergerlijke en onbetaamlijke levenswijze’ een jaar in het Gravesteen op te sluiten. Men gaf gevolg aan het verzoek maar de vader moest wel een jaar lang voor de kosten van de opsluiting opdraaien. (Noordam, D.J.,1985)

Waar zat de prostitutie?

De rosse buurten van Leiden bevonden zich destijds bij de knooppunten van land- en waterwegen, dus buiten het stadscentrum. Ook werkten prostituees bij de stadspoorten en op de markten. Bij eindpunten van de trekschuiten konden klanten terecht in zogeheten vaantjes, huizen waar alleen bier werd getapt. De vrouwen die daar werkten kregen vaak alleen maar een kannetje bier als betaling. Er waren in Leiden wel enkele herbergen met inwonende vrouwen waar de herbergier gelegenheid tot prostitutie gaf. Men kon daar ook met een prostituee van elders verkeren. Maar in Leiden waren herbergen zonder gekamerde (inwonende) vrouwen in de meerderheid. Daar kon men per uur of per nacht een kamer huren. Deze herbergen hadden namen als: De Grote Kamer en De Groene Papegaai. De laatste zat aan de Beestenmarkt . ‘In de Werkkuip’ aan de haven, het kroegje van Lijs Graskut bij de Herepoort, herberg De Swan aan de Haarlemmerstraat en het zaakje van Roo Anne in de Krauwsteeg waren bekende locaties. Veel van deze huizen zaten in de wijk De Camp.

Er waren ook veel huizen waar aan de buitenkant niets bijzonders viel af te zien. In die ‘stille’ huizen werd niet openlijk getapt, maar er werden wel alcoholische dranken geschonken. Meestal dronk men sterke drank, ook wel wijn, koffie, thee en soms brachten de studenten chocola voor chocolademelk mee. In zo’n stil huis woonde een of twee vrouwen maar men kon er ook met elders opgepikte vrouwen verblijven.

Mannen zouden ook in de St Pieterskerk worden aangeklampt.  [III]Leidsche Courant 29-10-1982 Sara van Eyck zou zich tijdens de avonddienst in de kerk hebben laten bekennen. De prostituee Mie Poes zou dat hebben gezien. Dat is hoogst onwaarschijnlijk maar de omgeving van de kerk werd er wel voor gebruikt. In Leiden klaagde een vader in 1755 een vrouw aan die zijn dochter in aanwezigheid van anderen had beledigd met de woorden: ‘Juiluy houwet met de studenten… je hebt 25 guldens verdient in de Pieters Kerk aen de pilaer en op de Leydse Kermis agter de spullen… en… In de Pieters kerk daer ‘waggies op en dan na de Pestlaan daar waggies weder op’. [IV]Haks, 1985

De bedrijven waren kleinschalig en werden niet erg professioneel en commercieel geleid. De organisatie van de prostitutie was vooral een vrouwenzaak. De huizen stonden vaak op naam van de mannen waardoor hun rol groter leek dan die in feite was. In de 18de eeuw kende Leiden waarschijnlijk geen groot bordeel met een vaste bezetting. Meestal had men ook geen speciale ruimte voor de ‘vleselijke conversatie’ .(geslachtsverkeer)

Wie waren de prostituees?

De historicus Noordam [vi] [V]Dit artikel is grotendeels gebaseerd op zijn werk. Zie bronnen beweert – op grond van archieven- dat er in de achttiende eeuw honderden meestal ongeschoolde meisjes en vrouwen van 15-24 jaar in de prostitutie actief waren. 61 procent van de prostituees kwam uit Leiden en daar zaten opvallend veel ongehuwde moeders bij.  Er werkten nogal wat vrouwen uit Haarlem, Den Haag, Schiedam, Dordrecht en Amsterdam. Ze kwamen zelfs uit Utrecht, dus van buiten het verbanningsgebied van Leiden. Het plaatsje Asperen leverde in de jaren dertig de vier gezusters Wolfswinkel op en Geertje van Gorcum werd op 17 jarige leeftijd uit Utrecht gehaald. Veel sekswerkers in Leiden hadden eerder elders in de prostitutie gewerkt.

In de 18de eeuw vertelden prostituees dat ze uit armoede de prostitutie waren ingegaan. Het was namelijk heel moeilijk in gewone beroepen een behoorlijk inkomen te verwerven. Vooral weduwen, gescheiden en verlaten vrouwen verkeerden in een lastige positie. Een vrouw die van het platteland naar de stad kwam en geen familie had om op terug te vallen, kwam al snel in de problemen.

Wanneer sekswerkers naar hun beroep werd gevraagd, gaven ze vooral textielnijverheid of werkzaamheden met kleding of spinnen op, over het algemeen laagbetaald werk. Er waren betrekkelijk weinig dienstboden onder hen maar wel enkele vrouwen met dubbele beroepen. Prostitutie werd kennelijk door hen niet als een apart beroep beschouwd.  Het is niet bekend of ze deze beroepen echt uitoefenden of prostitutie als bijverdienste hadden of slechts voor de vorm een beroep opgaven. Soms werden ongehuwde moeders verward met prostituees.

De vrouwen die na 1750 waren gearresteerd werden expliciet naar de reden van hun entree in de prostitutie gevraagd. Ze noemden bijvoorbeeld een stiefmoeder ‘die het niet kon schelen’, dus haar kinderen verwaarloosde. Anderen toonden zich berouwvol maar wilden niet over hun achtergronden praten. Van veertig prostituees en koppelaarsters uit de latere decennia van de achttiende eeuw gaven er vier aan dat ze geen excuus hadden voor hun zondig leven. 25 lieten weten dat ze door een man, vriendin of hun familie waren verleid.

Marijtje van Eijk was door haar moeder aan het werk gezet. ‘als je een stuivertje verdienen kunt, zoo doed het maar.‘ Moeders stuurde een andere dochter nog in de prostitutie doordat het gezin door de dood van de vader tot armoede was vervallen. Aaltje Rijkman, twee maal weduwe met drie kinderen, zette ook haar dochter aan tot prostitutie en leefde ‘in sobere staat’ van de verdiensten. (Geciteerd in Noordam)

Koppelaars en prostituees hadden veel kinderen waarvoor ze moesten zorgen. Dramatisch was het verhaal van Abigael Boeselijn. Haar eerste kind stierf voor de doop en ze verdronk haar tweede onwettige kind.

Veel prostituees waren familie van elkaar zoals de vier zusjes Wolfswinkel, de zusters Van Gorcum en Brasser. Er waren ook nog de zusjes Reedijck, Van de Swart en van Dort. Alle genoemde zussen kwamen niet uit Leiden. De nichtjes Eva en Susanna de Jager, de zusters Orbaan, van der Heiden en De Bruin echter wel. Ze stopten regelmatig maar pakten later hun stiel weer op. Wanneer ze stopten gingen ze weer bij hun ouders wonen of werden zelf kamerverhuurder.

Veel van de uit Leiden afkomstige prostituees kwamen pas na hun trouwen in het leven. Van de ongehuwden leefde van 24 procent beide ouders nog en van 58 procent één van de ouders. Slechts drie vrouwen waren volle wees. Veel vaders van de uit Leiden afkomstige prostituees waren geschoolde arbeiders, bijvoorbeeld schoenmaker of kleermaker. Twee derde van de vaders werkte vooral ongeschoold in de textiel. 96 procent van de Leidse prostituees kwam uit een hervormd gezin. Dat was een hoger percentage dan in de gewone bevolking. Protestanten zouden namelijk in die tijd seksueel vrijer zijn dan katholieken.

De mannen uit de omgeving van deze vrouwen zoals Roo Steven, Bert de Turfdrager of Adam Sunderman leken eerder onder de plak van de vrouwen te zitten dan dat ze hen tot prostitutie dwongen. Janneke Korenhof had haar man in Boskoop verlaten en was in Leiden koppelaarster geworden. Zij had net als een paar anderen een knipperlicht relatie met hem. Jacomijntje van Brakel vond na het vertrek van haar man naar Oost-Indië dat ze als vrij vrouwspersoon kon gaan samenwonen met een evenzeer vrij manspersoon. Vijf vrouwen die na hun 24ste waren begonnen hadden allemaal een man in Oost-Indië en waren door hem verlaten.

Kinderprostitutie kwam niet vaak voor. Twee meisjes waren op 12-14 jarige leeftijd in het vak gekomen. Een 15 jarige meisje zei dat ze geld wilde hebben om snoep te kopen. Groter was de groep van oudere tieners, die begonnen waren tussen hun vijftiende en hun twintigste. In Leiden werkten echter veel vrouwen die betrekkelijk laat in het vak waren gestapt. De arrestaties op latere leeftijd kunnen wijzen op een langdurige carrière in de prostitutie.

Vleselijke conversatie

Seksuele handelingen werden destijds aangeduid met de term ‘vleselijke conversatie’. Het geven van een handmatig hoogtepunt stond bekend als handcatechesatie. Wat wij SM noemen, gebeurde toen ook. Beroemd was het ‘geselhuis’ van Dirk Pret en Ariaanstje Loot waar mannen zich naakt, de handen met rode linten gebonden, konden laten geselen. Na de razzia’s van 1720 en 1721 zette het duo hun zaak voort in Amsterdam.

Trio’s en orgieën werden afgekeurd. De rechter besteedde daarom veel aandacht aan twee studenten die met twee verschillende prostituees na elkaar naar bed gingen. Naakt dansen voor een gezelschap van heren was taboe. Travestie werd evenmin getolereerd. Het betasten van ‘de prammen’ in het openbaar werd als afwijkend gedrag gezien.

Geslachtsziekten oplopen vormde een beroepsrisico. Van één vrouw werd gezegd dat ze aan het ‘quadt’ was gestorven. Een prostituee die een dochter was van een chirurgijn kende kruiden tegen de ziekte en een andere vrouw wendde zich tot de chirurgijn Willem van Ellinckhuisen. ‘Spaanse Pokken’ (syfilis) behandelde men door middel van ‘uitbranden’. In 1772 werd er in de Leidse courant geadverteerd met een dubieus middel. Er is slechts één verwijzing te vinden naar wat condoomgebruik zou kunnen zijn door een zeer welgesteld man. Verder wijst niets op het gebruik van anticonceptie.

Prijzen en verdiensten in de 18de eeuw

Gemiddeld was de prijs voor een seksueel contact in de jaren twintig 0,60 tot 0,90 cent. De prijzen schommelden sterk. Het minimum was in de jaren een zesthalf (0,27 gulden), het maximum drie gulden vijftig. Het weekloon van een goed verdienende kettingspinster was ongeveer gelijk aan wat één goede klant met seks opbracht. De dames Van Brasser rekenden 1,50 gulden en Sara van der Korsse was ook duur. Ook bij één vrouw konden de verdiensten zeer verschillen. Kaatje Dervaux verdiende nu eens een zesthalf en dan weer zelfs vier schelling. Bij een ander fluctueerde het tussen 0,55 cent en één gulden. Aan het einde van de jaren veertig daalden de prijzen maar in de jaren tachtig leek er enig herstel op te treden.

De prijzen verschilden niet per buurt. Het verschil in prijs kwam vooral door de financiële situatie van de klant. Een gewone man betaalde voor Mie Colet 0,55 cent, een student of een ‘heer’ één gulden. De prijs voor een uur of een hele nacht was hetzelfde. Soms moesten de vrouwen voor de kamer betalen. Andere bazen stelden zich tevreden met de drankopbrengsten. Zij verdienden namelijk vooral aan de verkoop van drank en voedsel. Sommige vrouwen in de huizen en straatprostituees kregen geen geld, maar drank als betaling. Soms moest een klant twee maal zo veel voor de overnachting betalen wanneer hij van de diensten van een prostituee gebruik maakte: 1, 20 gulden in plaats van de 0,60 cent wat de prijs was voor een gewone overnachting. In de stille huizen was de kamerhuur  0,55 cent. En ook hier moest voor de drank worden betaald. Vooral de koffie was er duur.

De verdiensten verschilden wel per herberg. Op een dag dat er meerdere klanten kwamen kon er wel 5 gulden per dag worden opgestreken. In de Werkkuip verdiende een vrouw weinig, maar in het huis van brandewijnverkoper Jan Huibregt waren de verdiensten hoog.

De vrouwen maakten ook andere kosten. Sommige vrouwen droegen een kwart van hun verdiensten af aan de bazin van het huis, meestal 50 cent. Aan het eind van de 18 de eeuw kon dat ook de helft zijn. Voor kost en inwoning was een vrouw vier gulden per week kwijt. Aan het eind van de 18de eeuw moest zij meer betalen omdat het leven duurder werd. Wanneer een vrouw naar een herberg werd gehaald, kreeg degene die haar ophaalde een fooitje van 0,10 tot 0,20 cent. Ze moesten ook het personeel van de herberg of de man die op de uitkijk stond op straat een bedragje geven. Kleding was een grote kostenpost voor prostituees.

Klanten in de 18de eeuw

Tijdens processen werd altijd aan prostituees gevraagd wie hun klanten waren. Het antwoord luidde steevast: studenten. Deze jongelingen hadden een slecht imago: ze liepen dronken over straat, brachten geslachtsziekten over en mishandelden prostituees. Ze tastten zwangere prostituees onder de rokken en beweerden dat ze dat moesten doen voor hun medische studie. Wel compenseerden ze de prostituees vaak financieel voor hun wangedrag jegens hen.

Studenten waren ongrijpbaar omdat ze niet onder de jurisdictie van de stad Leiden vielen. Andere klanten vormden een doorsnee van de mannelijke Leidse bevolking. Soms waren het  boeren en later vormden militairen een groot deel van de klandizie. Mishandeling, vooral door militairen, was een risico van het vak.

Sietske Altink

Bronnen

Lees meer over prostitutie in Leiden

Prostitutie in Leiden tot de achttiende eeuw

Prostitutie in Leiden in de tweede helft van de negentiende eeuw

Prostitutie in Leiden in de tweede helft van de negentiende eeuw (deel 2)

Prostitutie in Leiden na 1904

Prostitutie in Leiden vanaf de wetswijziging tot 2011

Noten   [ + ]

I. Leidsche Courant 27-11-1990
II. Leidsche Courant 15-10-1982
III. Leidsche Courant 29-10-1982
IV. Haks, 1985
V. Dit artikel is grotendeels gebaseerd op zijn werk. Zie bronnen