In de jaren 50 en 60 waren er al veel maatschappelijk werk organisaties die prostituees probeerden over te halen te stoppen. (Stemvers, 1985). In 1962 bijvoorbeeld pleitte minister Klompé van het Ministerie van Maatschappelijk Werk ervoor om bij wijze van experiment een resocialiseringscentrum voor prostituees op te richten. [i] Veel van de vrouwen die wilden stoppen kwamen in aanraking met de Mr. A. de Graafstichting, die in 1961 was opgericht en de naam droeg van Andrew de Graaf, neef en opvolger van Hendrik Pierson- de negentiende-eeuwse prostitutiebestrijder. Een van de taken van de Graafstichting was vanaf 1966 het runnen van een opvanghuis: De Graafschap dat in 1966 aan het Amsterdamse Valeriusplein 36 werd geopend met subsidie van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. Daar konden vrouwen na een korte ‘ontwenningskuur’ uit het vak stappen. In 1988 sprak ik een vrouw die bij ‘de Graafschap’ terecht was gekomen.

Toen bestond er wel een opvanghuis voor dat soort dingen. Van de Mr de Graafstichting. (…) Het was niet groot, er zaten altijd een stuk of 9, 10 meisjes. Je had toen allemaal je eigen kamer. Het was een groot gezin. Het heeft mij wel geholpen. Zonder dat was het niet gelukt. (…) Ik ben daar vrijwillig heengegaan om tot rust te komen. Er stond iemand in de keuken. De eerste twee weken mocht je geen contact met de buitenwereld hebben, ook niet met je familie. Iedereen had zijn eigen taak. Dat diende om weer in je dagelijks ritme te komen. Je mocht wel uit, maar je moest om twaalf uur binnen zijn en dat soort dingen. Er werd je wel een zekere discipline opgelegd. Het mislukte ook heel vaak. Mensen smeerden hem na een tijdje. Maar ik vond het toen een fantastische instelling. Ik heb nog wel contact met die maatschappelijk werkster die daar werkte en met de directrice, heb ik nog wel een aantal jaren contact gehad, maar die is geloof ik, in een klooster gegaan.

Nog steeds is het aanbieden van een naaicursus een 'klassieker' in uitstapprogramma's. Dit afgebeelde kledingstuk is gemaakte door Braziliaanse sekswerkers die iets anders moesten doen.

Nog steeds is het aanbieden van een naaicursus een ‘klassieker’ in uitstapprogramma’s. Dit afgebeelde kledingstuk is gemaakt door Braziliaanse sekswerkers die iets anders moesten gaan doen.

Het personeel bestond uit een directrice, stagiaires en een maatschappelijk werkster. Er was plaats voor tien vrouwen. In 1967 zaten er drie en in 1968 zes vrouwen. Toen het in 1970 werd gesloten woonde er nog maar één vrouw. [ii] Daarna leidde het een kwakkelend bestaan met ambulante hulpverlening door een maatschappelijk werker die er in 1975 mee is gestopt. De sociologe Jolande van Gunsteren schreef er een scriptie over. Haar conclusie was dat er niet goed met andere organisaties werd samengewerkt en dat er vooraf niet was gepeild of er wel behoefte aan een dergelijke instelling was. [iii] Vanaf 1976 hield de Graafstichting zich niet meer bezig met directe hulpverlening.

Tot 2000 vielen de termen ‘resocialisatie’ en ‘rehabilitatie’ in stoppersprogramma’s. Een dergelijke terminologie past misschien bij het gevangeniswezen of bij tbs-klanten, maar niet bij een beroepsgroep. Ieder project voor sekswerkers met als doelstelling resocialisatie of rehabilitatie is stigmatiserend. Sekswerkers zijn immers net als andere beroepsbeoefenaren gewoon lid van de maatschappij. Ook de term ‘uitstapprogramma’s’ is denigrerend. Deze term wordt bij geen enkele beroepsgroep gehanteerd. Veel ‘stoppersprojecten’ eisen of eisten van de deelnemers dat ze –teneinde terugval te voorkomen- alle contacten met de prostitutiewereld verbreken. In andere beroepen is een dergelijk contactverbod met collega’s en dergelijke hoogst ongebruikelijk. Ook zou men het (tijdelijk) oppakken van het werk niet met de term ‘terugval’ aanduiden.

Net als in andere beroepen kan een beslissing om te stoppen impulsief of weloverwogen worden genomen. Soms stopt men van het ene op het andere moment, Soms last men een overgangsperiode in waarin men alleen nog parttime of niet meer ’s avonds werkt.

Loopbaanverandering in plaats van ‘uitstap’

Door erkenning van het beroep van sekswerker is het onderwerp ‘loopbaanontwikkeling’ op de agenda gekomen. Loopbaanbegeleiding past namelijk in het bevorderen van promotiekansen als onderdeel van de arbeidsvoorwaarden. Dat betekent dat sekswerkers niet per se een ander beroep hoeven te ambiëren, maar ook de mogelijkheid moeten hebben om te kunnen kiezen voor een carrière binnen de prostitutie, bijvoorbeeld als exploitant van een prostitutiebedrijf. Een dergelijk streven stuit overigens op het vergunningenbeleid van veel gemeenten die geen of nauwelijks vergunningen beschikbaar houden voor nieuwe seksbedrijven.

Competenties

Het idee achter ‘traditionele’ stoppersprogramma’s was dat een loopbaan in de prostitutie alleen maar nadelen en geen voordelen zou opleveren. Zo zouden sekswerkers een levensritme hebben dat ze snel moesten afleren. Een sollicitatiecursus waarin ze vooral moesten leren op tijd op te staan, behoorde tot de vaste onderdelen van stoppersprogramma’s.

Als sekswerkers besluiten hun werk in de prostitutie te verruilen voor ander werk, worden niet alleen hun competenties en vaardigheden ontkend, maar dus ook niet vertaald in algemene, officiële kwalificatiemodellen die worden gehanteerd bij bijvoorbeeld beroepskeuze tests, zoals die gebruikt worden bij bemiddeling op de arbeidsmarkt en bij assessments. Dat is niet terecht. Sekswerkers hebben in hun oude beroep vaardigheden opgedaan die ze in een nieuwe werksituatie kunnen gebruiken: stressbestendigheid, klantgerichtheid en crisisbeheersing. Deze competenties kunnen een belangrijke basis zijn voor de oriëntatie op de beroeps- c.q. arbeidsmarkt. Dat bleek tijdens het zogeheten ANAKO (Analyse van Beroepskwalificaties van Prostituees voor de primaire arbeidsmarkt), een project waarin De Rode Draad in 2000 partner was. Dit transnationale project, in het kader van het Leonardo Da Vinci programma (Europese Commissie) uitgevoerd, had tot doel het in kaart brengen van de integratiemogelijkheden. Een van de belangrijkste conclusies was dat sekswerkers inderdaad deze competenties hadden. Deze vaardigheden zijn ook goed bruikbaar in andere beroepen. Sekswerkers zijn zich hier niet altijd van bewust. Met andere woorden: ze kennen hun competenties niet. Een competentie wordt in de literatuur gedefinieerd als “een herkenbaar gedragspatroon dat zich gedurende lange tijd, regelmatig en onder verschillende omstandigheden herhaalt, zij vormen een karakteristiek gedrag van een persoon waarbij het gaat om gedrag dat in oorzakelijk verband staat met effectief of zelfs superieur presenteren in het werk of in een andere situatie”.

Uit het ANAKO project rolden de volgende competenties:
• Sekswerkers zijn goed in staat een uitnodigende sfeer te creëren waarin klanten zich prettig in voelen
• Sekswerkers zijn goed in staat hun werkplek te managen en hun werk te organiseren
• Sekswerkers hebben kennis en ervaring op het gebied van lichaamsverzorging, hygiëne en ‘imago-onderhoud’
• Sekswerkers hebben onderhandelingsvaardigheden
• Sekswerkers werken gedisciplineerd

Juist het niet erkennen van vaardigheden die zijn opgedaan in het werk in de prostitutie en het weigeren deze in te zetten bij het zoeken naar andere beroepen, zorgt er voor dat sekswerkers worden gehinderd bij hun integratie in de reguliere arbeidsmarkt.

In 2003-2004 voerde De Rode Draad een laagdrempelig project uit om sekswerkers die een andere loopbaan wilden te begeleiden. Er deed een kleine groep vrouwen en één man aan mee. Het doel was collegiale hulp. Het grootste probleem bleek het stigma te zijn. Zo bleken voormalige sekswerkers ontslagen te worden wanneer werd ontdekt wat voor werk ze in het verleden hadden gedaan. Zoals een van de deelnemers het uitdrukte: ‘Andere mensen hebben een CV, wij hebben een verleden’. Hulp bij het ‘vullen’ van het gat in de cv was daarom een dienst die gretig van De Rode Draad werd afgenomen. Download hier een (enigszins verkort) verslag van het project.

De onderzoekster J. Westerik heeft in een proefschrift (2009) onder meer de omgang met dit stigma door ex-sekswerkers in kaart gebracht. [iv] Zij interviewde 40 ex-sekswerkers, die allen uit eigen beweging in en uit het vak zijn gestapt. Ze onderscheidde drie typen: de vrouwen die hun verleden als sekswerker hadden geïntegreerd in hun identiteit. Westerik betitelde hen als ‘Autonomen’. De Instrumentalisten, daarentegen, zagen hun verleden in sekswerk niet als bepalend voor hun persoonlijkheid. De derde groep, de Ambivalenten oscilleerden tussen deze twee ‘basishoudingen’. Vooral de laatste groep wilde nog wel eens bij loopbaanverandering een beroep doen op de hulpverlening.

Sietske Altink

Lees meer: Rups: Regeling Uitstapprojecten Prostituees

Vereeniging tot Opbeuring van Boetvaardige en Gevallene Vrouwen

Kloosters en Spinhuizen

Stoppen in de middeleeuwen: het klooster in

Stoppen in de middeleeuwen: eerbaar door huwelijk

 

[i] Leidsch dagblad 15-7-1978

[ii] Trouw, 21-4-1973

[iii] Nieuwe Leidsche Courant 21-4-1973

[iv] Westerik, J., (2009) Dit is het leven. Een studie naar (ex) prostituees, Proefschrift Universiteit voor Humanistiek. Utrecht.