Het poortje van het Spinhuis in Amsterdam.

Het poortje van het Spinhuis in Amsterdam.

In het verleden is het sekswerkers door middel van registratiesystemen en verboden om huwelijken te sluiten lastig gemaakt om voor een ander beroep en/ of een ander leven te kiezen. Zo was het in de middeleeuwen ‘deernen’ in sommige Duitse steden verboden om een minnaar te hebben. Ze mochten eens op het idee komen  het bordeel te verlaten en een nieuw leven te beginnen!. (Bloch, 1912) Volgens Lotte van de Pol (1996) was het tot de Reformatie voor hoeren nog mogelijk om berouw te tonen door tot een klooster toe te treden. Hiertoe stichtte Weremboldus Buscop, een vertegenwoordiger van de Moderne Devotie,al voor 1415  in Utrecht een convent voor bekeerde zondaressen. Deze vrouwen konden omstreeks 1450 in de Magdalenakloosters van de Windesheim congregatie van de Moderne Devotie in Utrecht, Haarlem, Leiden en Amsterdam terecht. De ‘boetvaardige vrouwen’ moesten bijvoorbeeld in Gouda wel volgens de regels van kerkvader Augustinus leven, maar hoefden als bekeerlingen zijnde, niet deel te nemen aan het koorgebed. [i] Ze kregen meestal een proeftijd van een jaar. [ii]  Kennelijk liepen ze regelmatig weg, want in de huisreglementen van de kloosters staan vele maatregelen vermeld tegen bekeerlingen die het klooster verlieten om ontucht te plegen.[iii]

Elders in Europa waren er vergelijkbare initiatieven. In 1347 richtte koningin Johanna in Avignon een meisjesklooster op. Alle meisjes moesten daar op zondagavond op ‘kwade’ gevolgen van de bijslaap worden gecontroleerd. Wanneer er afwijkingen werden gevonden, werd een vrouw apart gehouden. (Nater, 1986) Overigens hadden sommige kloosters een zeer twijfelachtige reputatie op het gebied van de zedelijkheid. [iv] De scene waarin Hamlet in het toneelstuk van Shakespeare tegen Ophelia zegt: ‘Get thee to a nunnery’, ofwel ‘Ga naar een nonnenklooster’, zorgde ervoor dat tijdgenoten van Shakespeare in een deuk lagen, want dit kon ook ‘ga naar een bordeel’ hebben betekend. [v]

 Spinhuizen

Tot de achttiende eeuw werden prostituees bijvoorbeeld in Amsterdam opgesloten in het Spinhuis. ‘Om schamele meyskens, maegden en vrouwen t bedelen, leechgaen en doolwech te schuwen, is dit Spinhuis hier ghesticht’. Zo stond er in eerste instantie op de gevel te lezen. In 1597 werd het Spinhuis als tuchthuis voor arme en bedelende vrouwen in het voormalige Sint- Ursulaklooster gevestigd. In 1643 brandde het af maar twee jaar later kwam er op dezelfde plek een nieuw Spinhuis. Men bouwde er een poortje bij, met daarboven een reliëf – dat aan Hendrick de Keyser is toegeschreven- voorstellende twee gegeselde vrouwen. Onder het reliëf plaatste men enkele dichtregels van P.C. Hooft:

De tekst van P.C. Hooft

De tekst van P.C. Hooft

Schrik niet ik wreek geen quaat maar dwing tot goet

Straf is myn hant maar lieflyk myn gemoet

Het Spinhuis ontwikkelde zich al snel tot een strafgevangenis. De instelling had tot doel: ‘verwilderde Vrous-persoonen te temmen’. Opsluiting in het Spinhuis diende als strafmaatregel voor vrouwen die weigerden ‘uit de prostitutie te stappen’. Ze kregen eerst een waarschuwing dat ze ‘vuyligheden’ achterwege moesten laten. Wanneer ze weer werden betrapt, volgde opsluiting in het Spinhuis. Een verleden in het Spinhuis betekende in de praktijk dat een ‘nette dienst’ niet meer tot de mogelijkheden behoorde. Verblijf in het Spinhuis was zelfs een grond voor echtscheiding. Na ontslag uit het Spinhuis bleef in feite prostitutie als enige bron van inkomsten voor deze vrouwen over.

In 1654 werd in Amsterdam het Nieuwe Werkhuis om bedelaars aan het werk te zetten gesticht. Maar ook dit werd gebruikt om mensen die lichte vergrijpen pleegden en om losbandige personen op verzoek van de familie op te sluiten. In 1782 voegde men het Spinhuis en het Werkhuis administratief samen. Opsluiting in het Spinhuis veroorzaakte wel eerverlies, in het Werkhuis niet. Ook daar werden prostituees opgeborgen maar dat waren voornamelijk Amsterdamse meisjes met een familie die hun de schande van het Spinhuis wilde besparen.

Het Spinhuis gold als een pronkstuk. Sommige tijdgenoten hadden kritiek op de mooie buitenkant, te mooi voor de ingezetenen. Het Werkhuis werd – zoals elders in Europa- bestuurd door mannelijke regenten, maar alleen in Nederland was er ook een college van vrouwelijke regenten. Deze ‘buitenmoeders’ gingen over de kleding en huishoudelijke zaken. De dagelijkse leiding was in handen van een binnenmoeder en een binnenvader, die meestal met elkaar getrouwd waren. Er was een portierster en de moeder kreeg hulp van dienstmeiden. Dit personeel was intern.

Het Spinhuis in de jaren zestig van de zeventiende eeuw.

Het Spinhuis in de jaren zestig van de zeventiende eeuw.

Eerst richtte men zich vooral op het spinnen, daarna ging men over op andere vormen van textiele bewerking. ‘Spinnen‘ was het symbool van vrouwenarbeid en een zinnebeeld van vrouwelijke deugd en huiselijkheid. De opgesloten vrouwen waren er verplicht te werken maar dat leverde niet veel op. Rond 1700 werden opschik en muziekinstrumenten van prostituees ten bate van het Spinhuis geconfisqueerd. Maar in feite werd het huis betaald uit de inkomsten van tapperijen.

Vrouwen die een schavotstraf hadden ondergaan verbleven er gescheiden van de anderen; ook zijn er aanwijzingen dat prostituees en alcoholisten niet bij elkaar werden ondergebracht. Er konden in totaal 80 vrouwen worden opgenomen. Volgens de inschrijfregisters werden er tussen 1678-1725 gemiddeld 30 vrouwen per jaar opgevangen die er zo’n anderhalf jaar verbleven. Dus gemiddeld zaten er 45 vrouwen in het Spinhuis waaronder tien prostituees. Alleen aan het eind van de 17de eeuw en het begin van de 18de eeuw werden regelmatig jonge prostituees geplaatst met het jaar 1698 als dieptepunt toen 47 prostituees er voor een periode van zes maanden moesten verblijven. Dit waren over het algemeen vrouwen uit de rafelrand van de prostitutie bijvoorbeeld tippelaarsters die van beroving werden verdacht.

In tweede helft van de 17de eeuw kwam minder dan een tiende van de veroordeelde prostituees in het Spinhuis terecht. In de eerste helft van de 18de eeuw was dat ruim een kwart. Degenen die we nu ‘risicomeisjes’ zouden noemen, dus meisjes die mogelijk de prostitutie in zouden gaan,  kwamen vooral in de achttiende eeuw steeds vaker in de werkhuizen terecht.

Te kijk zitten

Tekening van H.P. Schouten van het interieur van het Amsterdamse Spinhuis in 1783.

Tekening van H.P. Schouten van het interieur van het Amsterdamse Spinhuis in 1783.

Het Spinhuis en het Rasphuis, het tuchthuis voor mannen, waren internationaal vermaarde toeristische attracties. De tentoongestelde vrouwen moesten in een grote kooi werken en vanachter de tralies kon men tegen betaling van twee stuivers de vrouwen bekijken. Ze werden er soms in hun mooie kleren te kijk gezet. Zo werd Margriet Soerstraat in 1695 ‘geconfineerd omme met haer aanhebbende kleeding te pronck te zitten’. Ondanks de ‘aanhebbende kleren’ waren de toeristen vaak teleurgesteld; de meisjes waren niet aantrekkelijk, ze stonken en door de syfilis moesten ze soms hun neus ontberen. De vrouwen hielden bezoekers een schaal voor. Met het opgehaalde geld konden ze wat extraatjes kopen. In ruil daarvoor trakteerden de vrouwen de bezoekers op obscene gebaren. Ze persten hun centjes af terwijl ze schreeuwden dat ze in het bordeel vroeger guller naar hen toe waren geweest. Andere gevangen vrouwen deden zich daardoor uit financieel gewin vaak voor als hoeren. Tijdens de kermis was de toegang tot het Spinhuis gratis. Bij die gelegenheden dansten de vrouwen voor de bezoekers. Het gerucht ging dat zeelieden er hun toekomstige vrouw kwamen uitzoeken. Alleen in ‘de ‘secrete’ afdeling waar familie extra voor moest betalen, werd geen bezoek toegelaten.

In Amsterdam mochten de bezoekers geen vuiligheid naar de tentoongestelde vrouwen gooien, elders wel. In Den Haag, Vlissingen, Den Bosch, Nijmegen en Den Haag werden de vrouwen in een kooi geplaatst die zo snel werd rondgedraaid dat de vrouwen misselijk werden. De bezoekers konden dan zien hoe zij zich met hun eigen kots bevuilden.

Zowel in Den Haag als Amsterdam begon men dit onbeschaafd te vinden. In 1755 werd in Den Haag het bezoekrecht afgeschaft en in Amsterdam mocht men vanaf 1724 alleen in het bijzijn van de gevangenbewaarders de vrouwen zien. Door die beperkingen verloren de Spinhuizen wel een belangrijke bron van inkomsten.

Het Amsterdamse Spinhuis is nog een tijdlang politiebureau geweest. Anno 2015 is het een uitgeverij die verbonden is aan de Universiteit van Amsterdam. [I]Deze gegevens zijn ontleend aan o. a. Lotte van de Pol (1996), Slobbe, (1937). Klik hier voor de volledige lijst van bronnen.

Schilderij van Karel Dujardin (1669) van de regenten van het Spinhuis

Schilderij van Karel Dujardin (1669) van de regenten van het Spinhuis

19 de eeuw: Opbeuren van Boetvaardige Gevallen Vrouwen

Loopbaanverandering of resocialisatie?

De uitstapprojecten

Stoppen in de middeleeuwen: het klooster in

Stoppen in de middeleeuwen: eerbaar worden door huwelijk

 

 

 

 

 

[i] Goudriaan, K,., (2002) Fervente vroomheid in een bange tijd, in Gouda, Duizend Jaar Stadsgeschiedenis, uitgeverij Verloren, Hilversum.

[ii] Dolder- De Wit (1999), in Tidinge van die Goude, jaargang 17 no.2.

[iii]Dijk, R.Tb.M. (1986), De constituties van de Windesheimse (Moderne Devotiekloosters) voor 1599, een bijdrage tot de institutionele geschiedenis van het Kapittel Windesheim, Katholieke Universiteit Nijmegen, Het Centrum voor Middeleeuwse Geschiedenis, proefschrift.

[iv] Uphoff, J., (2014) Kloosters onder vuur, religiekritiek als middel van verzet en bescherming in Die Denkwűrdigheiten van Caritas Pirckheimer.

[v] Diverse bronnen, waaronder Shakespearequotes en Hamlet.now.

Noten   [ + ]

I. Deze gegevens zijn ontleend aan o. a. Lotte van de Pol (1996), Slobbe, (1937).