Steenbeek. Een voormalige bierbrouwerij.

Steenbeek. Een voormalige bierbrouwerij.

In de tweede helft van de negentiende eeuw werden de zogeheten abolitionisten actief. Zij wilden de prostitutie net als de slavernij afschaffen. (abolir= afschaffen). Zij kwamen vooral uit protestantse kringen, met name uit de groep die als het Reveil te boek stond, die een praktische invulling aan het geloof trachtte te geven. Hendrik Pierson en Ottho Heldring, de belangrijkste voormannen, bedachten dat de vrouwen die aan het werk waren in de door hen verfoeide bordelen tot dienstboden moesten worden opgevoed.

Vereeniging tot Opbeuring van Boetvaardige Gevallene Vrouwen

Heldring schreef dat een bezoek in de gevangenis voor vrouwelijke veroordeelden te Gouda, en zijn bevindingen aldaar de grondslag tot zijn Toevluchtshuis voor boetvaardige gevallene vrouwen legde. O.G. Heldring (1804 – 1877) opende in 1848 Asyl Steenbeek waar ‘de boetvaardige vrouwen’ in het isolement van het asiel met zichzelf in het reine moesten komen. Hij wilde geen opvang in pleeggezinnen organiseren want dat bracht het gevaar van tuchteloosheid en zelfs syfilitische besmetting binnen de familiekring met zich mee. Hijzelf had de Vereeniging tot Opbeuring van Boetvaardige Gevallene Vrouwen opgericht, maar het dagelijks management van het Toevluchtshuis liet hij aan vrouwen over. [i] De eerste directrice was Petronella Voûte, een vrouw van wie men het schandalig vond dat ze te midden van gevallen vrouwen woonde. In 1877 werd zij opgevolgd door juffrouw Kruyf. [ii]

Het terrein van het asiel was betrekkelijk groot, maar er stond een hek omheen. Steenbeek bestond uit twee gebouwen en een schuur en een stal met vee. [iii]Vrouwen kwamen vrijwillig en mochten weg wanneer ze wilden maar wanneer ze eenmaal binnen waren moesten ze zich aan een streng regime onderwerpen. Om te beginnen moesten ze de schuld op zich laden. Niet de armoede mochten ze als oorzaak van hun ‘falen’ aanwijzen maar hun eigen zondeval. Die moesten ze wijten aan pronkzucht en snoeplust. Schuldbesef en boetedoening waren voorwaarden voor een geslaagde opleiding tot dienstbode. Dit was het enige reële toekomstperspectief dus moesten de vrouwen leren huishoudelijke taken uit te voeren. Dit ging in fases. Na het bekeringsgesprek moesten ze een grondige reinigingsbeurt ondergaan. Daarna moesten ze een paar maanden matten vlechten. Vervolgens promoveerden ze naar de onvermijdelijke naaikamer. Dit was weer de opmaat voor het aanleren van het huishoudelijke taken met speciale aandacht voor wassen en strijken waarna de opleiding in de keuken werd voltooid. Dit hele proces duurde zo’n twee jaar. De leden van de Vereeniging meldden de vrouwen meestal aan, maar soms kwamen vrouwen uit eigen beweging na hun vlucht uit het bordeel.

Petronella de Voute

Petronella de Voute

Er zijn twee bronnen voor het ‘succes’ van Steenbeek. Volgens een daarvan, Dubois (2012) zijn er de eerste tien jaar 277 vrouwen opgenomen. Op het moment van de peiling van de peiling waren daar nog 32 van over. Van de overige 245 waren er 41 getrouwd, 64 waren dienstbode geworden en 23 waren teruggekeerd in de familieschoot of elders terecht gekomen. 49 waren weer teruggevallen en drie waren in een bedelaarskolonie geplaatst. 46 waren verdwenen of gestorven.

Een andere bron is het jaarverslag van 1854 van de Vereeniging. Daarin staat dat in zes jaar 177 meisjes en vrouwen zijn opgenomen waarvan er nog 44 in het asiel verbleven. 29 hadden hun zondige leven weer opgepakt en 28 was door de leiding uit het oog verloren. 7 vrouwen waren om verschillende redenen elders besteed en 7 waren naar hun familie teruggekeerd, 7 waren er overleden en 44 werkten als dienstbode. (Geciteerd Kompagnie en Bossenbroek, 1998)

In 1876, het jaar van het overlijden van Heldring bleek dat er vanaf 1848 in totaal 980 vrouwen waren behandeld (in 28 jaar). Daarvan waren er nog 39 in het asiel. 92 waren dienstbode geworden en 40 teruggekeerd naar familie en vrienden. 123 waren getrouwd en 77 waren in de zonde teruggevallen. 8 waren naar de bedelaarskolonie Ommeschans gestuurd en maar liefst 498 – dus meer dan de helft – was uit het oog verloren. Dus ging het in Steenbeek om 42 geredde vrouwen per jaar.

Overal waar de Vrouwenbond tot Verhooging van het Zedelijk Bewustzijn een afdeling had waren er doorgangshuizen voor gevallen vrouwen. Dit betrof Breda, Den Helder, Velp, Zutphen, Deventer, Haarlem en Utrecht. [iv]  In Amsterdam had men een reddingspercentage van ongeveer een kwart. In het Amsterdamse Magdalenahuis kwamen er in dertig jaar in totaal 845 gevallen vrouwen. Daarvan zijn er 231 ‘gered’. 79 vrouwen waren teruggevallen en de overige waren vermist geraakt. In totaal hadden alle Vereenigingen tot Opbeuring van Boetvaardige Gevallene vrouwen tussen 1846 en 1876 2500-3000 vrouwen opgevangen. In ongeveer 30 jaar zijn van deze 2500-3000 vrouwen tussen de 650 en 750 gered. Er kwamen nog huizen bij, ook een voor ‘verwaarloosde meisjes’ en één voor ongehuwde moeders. [v]

Heldring en zijn gestichten

Heldring en zijn gestichten

Ook in katholieke kringen werden vergelijkbare initiatieven genomen door de Sint Vincentius verenigingen. In 1850 werd in Zoeterwoude het RK Liefdewerk van de Goede Herder naar Frans voorbeeld gesticht. Daar mochten ze voor onbepaalde tijd blijven. Slechts enkele van de tachtig vrouwen die daar verbleven werden gered. De Magdalena’s zaten daar in een afzonderlijk verblijf. Zij moesten daar ‘door een boetvaardig en arbeidzaam leven voldoen voor haar vorige afdwalingen’. In 1878 bestond die afdeling niet meer.[vi] In 1972 is het klooster gesloopt. [vii]

Het blijft moeilijk om precies het succespercentage van uitstapprojecten te berekenen, ook nu nog. Wat bedoelde men met ‘elders besteed’? Of waren ze met een souteneur getrouwd? En hoe verging het de dienstboden? Werden die soms niet na enkele maanden zwanger gemaakt door de heer des huizes uit de dienstbetrekking gezet? En wanneer is de ‘redding’ permanent?

Hoe dan ook, Heldring zag ook wel in dat er weinig vrouwen gered werden. Hij vond het daarom beter de getuigenis meer prioriteit te geven dan het redden. Heldring werd opgevolgd door Hendrik Pierson. Een neef van Pierson, Andrew de Graaf, zette het werk voort. Hij werd ook de voorzitter van de Nederlandse Vereeniging tegen Prostitutie. In de 20ste eeuw werd er een Stichting naar hem genoemd: de Mr. A. de Graafstichting. Deze organisatie heeft zich tot eind jaren 60 beziggehouden met ‘uitstap’, maar ging eind jaren 70 een totaal andere richting uit: het ontwikkelen van het idee dat sekswerk arbeid is.

Sietske Altink

Loopbaanverandering of resocialisatie?

RUPS: Regeling Uitstapprogramma’s Prostituees

Kloosters en Spinhuizen

Stoppen in de middeleeuwen: het klooster in

Stoppen in de middeleeuwen: eerbaar door het huwelijk

Bronnen

[i] Trouw 22-2-2013

[ii] O.W. Dubuis in het (online) Biografisch Woordenboek Gelderland.

[iii] O.W. Dubois, 2012, 1 juni, Een mosterdzaadje in Zetten, de eerste tien jaar van het asiel Steenbeek, op Digibron. De schrijver Nicolaas Beets was bestuurslid.

 

[iv] Schiedamsche Courant 6-8-1886

[v] Trouw, 22-2-2011 en Canon Sociaal Werk.

[vi] Leidsch Dagblad 1-1-1978

[vii] Leidsch dagblad 1-4-1996