Het tegengaan van het werken van mensen zonder de juiste papieren en van minderjarigen vormden ook doelstellingen van de wetswijzing van 2000. Op het eerste gezicht lijkt die doelstelling behaald te zijn. In Rotterdam trof de politie tot ruwweg 2012 geen minderjarigen in de legale seksbedrijven aan. Dat is niet verwonderlijk, exploitanten keken wel uit; ze liepen door minderjarigen te laten werken het risico hun vergunning kwijt te raken. Bij PMW  (Prostitutie Maatschappelijk Werk) had men gemiddeld tien keer per jaar te maken met minderjarigen in de prostitutie. Sommige cliënten van PMW waren wel al als minderjarige in de prostitutie terechtgekomen maar zijn nu al lang meerderjarig. De ‘jeugdprostituees’ met wie PMW in aanraking kwam, waren gemiddeld 19 jaar. In 2004 kwamen  bij PMW zeven meldingen  binnen, in 2005 waren dat er 50 en in 2006, 108. Dat lijkt veel, maar de lezer moet beseffen dat  het begrip ‘minderjarigheid’ voor dit doel was opgerekt. Om meer mensen voor hulpverlening in aanmerking te laten komen, is de leeftijd voor jeugdprostitutie opgetrokken naar 23, de leeftijdsgrens voor hulpverlening aan jeugdigen.

Weren van illegalen, dus van mensen zonder de juiste papieren, was ook een doelstelling van de wetswijziging, maar daarvoor gold hetzelfde als voor

Vitrine met valse documenten bij de Rotterdamse politie

minderjarigen. Exploitanten van vergunde bedrijven pasten wel op; het was te riskant.

Het plegen van strafbare feiten door een exploitant of bezoekers vormde een reden om een vergunning in te trekken of op te schorten. Zo hoopte men te bereiken dat prostitutie en misdaad  ‘ontvlecht werden’, zoals het in de toelichting bij de wetswijziging heette. De politie noemde in 2011 ID fraude en mensensmokkel als vormen van criminaliteit die toen in de Rotterdamse prostitutie voorkwamen. In 2008 werd de club van Jan Bik tijdelijk gesloten in verband met geweldsincidenten.

Ook onvrijwilligheid in de prostitutie moest worden bestreden. Rotterdam kent nu een geïntegreerde aanpak van mensenhandel, met andere woorden, een ketenaanpak. Dat betekent dat verschillende professionals uit kringen van politie, hulpverlening en gezondheidszorg gezamenlijk cases behandelen. In 2005 diende het om loverboys aan te pakken. In 2009 won Rotterdam de ketentrofee.

In deze eeuw hebben er belangrijke ontwikkelingen plaatsgevonden bij de politie. De aanpak van mensenhandel was rond 2000 niet langer meer afhankelijk van de persoonlijke inzet van een rechercheur, maar was tot een algemene prioriteit verheven. Het is nu een specialisatie waar een agent een speciale training voor moet doorlopen. Alle teamleden van het controleteam van de politie Rotterdam, en niet alleen de zedenrechercheurs, zijn op mensenhandel ‘gecertificeerd’, met andere woorden zij zijn speciaal getraind om signalen van mensenhandel te herkennen.

De politie heeft zicht op de ‘harde signalen’, zoals het niet kunnen beschikken over een paspoort. Leken, bijvoorbeeld hulpverleners, hebben hier ook een taak in maar kunnen in de regel alleen ‘zachte’ signalen ontwaren zoals ‘mager zijn’. Anderen zien het hebben van een huisdier als significant  ‘zacht signaal’, want een pooier kan dreigen dat dier iets aan te doen. Met andere woorden, signalen moeten in een bepaalde context worden geduid, zo niet, dan bestaat het risico dat mensen ten onrechte – omdat ze bijvoorbeeld een huisdier hebben- tot slachtoffer worden bestempeld.

In 2008 schrok de politie van een grote mensenhandelzaak. Turkse broers hadden vrouwen en meisjes in diverse steden in de (vergunde) raamprostitutie gedwongen en ernstig mishandeld. Mede door deze zaak ging het publiek ineens spreken over ‘gedwongen prostitutie’ zonder dat overigens nader te omschrijven. De term ‘gedwongen prostitutie’ is een containerbegrip voor alles wat intuïtief als dwang aanvoelt. ‘Gedwongen prostitutie’ kan namelijk om totale dwang gaan maar ook om dwang tot het dragen van bepaalde kleding. Een minder ‘luie’ formulering zou moeten zijn: ‘ prostitutie onder de een of andere vorm van dwang.’ In een opzienbarend rapport naar aanleiding van deze zaak werd gesteld dat 50-90 procent van de sekswerkers ‘gedwongen’ is. Dat is echter een veel te hoge foutmarge voor een betrouwbare opgave.

Tijdens een debat in Amsterdam werd aan een politiefunctionaris gevraagd hoe hoog het percentage was dat ‘gedwongen was.’ Zijn terechte antwoord luidde: ‘Ik weet niet eens hoeveel sekswerkers dagelijks actief zijn, laat staan dat ik weet hoeveel er gedwongen worden’.

Sommigen willen sekswerk onder druk der omstandigheden ook als gedwongen prostitutie bestempelen. In dit geval betekent ‘dwang’ gebrek aan alternatieven. Maar daarmee wordt de term ‘dwang’ wel uitgehold. Laten we in ieder geval de term ‘dwang uitoefenen’ reserveren voor een actie van individuen of groepen. In het huidige debat is de nuance om wat voor soort dwang het gaat helaas verloren gegaan.

Beleidsmakers hielden de doelstellingen van de wetswijziging niet consequent voor ogen. Accenten werden in de loop van de tijd verlegd en oorspronkelijke doelstellingen raakten volkomen uit zicht. In governance studies heet dit verschijnsel ‘regulatory drift’. Dit betekent dat tijdens het implementatieproces (de toepassing van de regelgeving) de doeleinden bijna ongemerkt veranderen. Zo bracht Rotterdam, overigens net als andere steden, vele verfijningen in de regeltjes aan waarbij men een van de belangrijkste doelstellingen in het beleid ‘vergat’: positieverbetering voor sekswerkers. Wagenaar en ik hebben aangetoond dat vanaf 2010 de doelstelling van ‘een betere positie voor sekswerkers’ was verschoven naar ‘bestrijding mensenhandel’. Inmiddels is dit laatste een alles overkoepelende doelstelling geworden. In 2008 moesten degenen die zich bezighielden met rechten van sekswerkers vooral zien te voorkomen dat prostitutie gelijk werd gesteld aan mensenhandel. In 2018 publiceerde Soa Aids Nederland een onderzoek waarin werd aangegeven dat alle aandacht voor mensenhandel ten koste gaat van de positieverbetering van sekswerkers, wat  ook een doelstelling van de wetswijziging was.

Mede daardoor hebben Wagenaar en ik als alternatief voor de term ‘gedwongen prostitutie’ het concept van de Vier Seksuele Vrijheden ontwikkeld. Deze Vier Vrijheden zijn geïnspireerd op de Four Freedoms Speech van president Roosevelt uit 1941 waarin hij fundamentele rechten als vrijheid van meningsuiting formuleerde.

Terug naar de inhoudsopgave van het boek

Bronnen

Sietske Altink

Bekijk de andere doelstellingen:

een betere positie

regulering van de seksbranche